Rb. 's-Gravenhage 5 februari 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BH2882
Nigeria/ binnenlands vestigings of vluchtalternatief/ 29 a, b, c, Vw 2000 Volgens verweerder is sprake is van een vlucht- of vestigingsalternatief waardoor eiser geen aanspraak kan maken op een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw 2000. Niet in geschil is dat het asielrelaas van eiser geloofwaardig is en eiser heeft te vrezen voor vervolging. Het is aan verweerder om aannemelijk te maken dat tegen die dreigende vervolging elders in Nigeria bescherming kan worden verkregen. De rechtbank acht de aanname van verweerder dat eiser elders geen vrees voor vervolging heeft, niet deugdelijk gemotiveerd. Verweerder heeft van betekenis geacht dat volgens het landgebonden beleid voor zover een vreemdeling te vrezen heeft voor vervolging van de zijde van één van de militante etnische bewegingen, deze gevrijwaard zal zijn van problemen in een deel van Nigeria waar deze beweging niet actief is. Aan dit beleid komt echter geen zelfstandige betekenis toe in die zin dat het beleid niet de rechten die eiser aan het Vluchtelingenverdrag of de refoulement verboden kan ontlenen, kan bekorten. Dit klemt te meer nu dit beleid is gebaseerd op het ambtsbericht en het ambtsbericht op dit punt minder stellig is geformuleerd dan het beleid. Het ambtsbericht noch het daaraan ten grondslag liggende rapport van de Danish Immigration Service sluiten uit dat een vreemdeling elders gevrijwaard zal zijn van problemen. In dit verband is tevens van belang dat niet in geschil is, zoals in het ambtsbericht is aangegeven, dat de autoriteiten in Nigeria niet altijd in staat zijn om afdoende bescherming te bieden tegen eventueel op de persoon gericht geweld. Daarnaast heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet onderzocht of het voor eiser elders in zuidelijk of zuidwestelijk Nigeria toegankelijk en veilig is. Ernstige twijfel over de toegankelijkheid en veiligheid van deze gebieden, is gerezen door de in beroep door verweerder niet bestreden stelling van eiser dat het niet mogelijk is je te verbergen in een andere gemeenschap zonder dat de gemeenschap waaruit je bent vertrokken dit te weten komt, alsmede aan de in beroep overgelegde informatie van de Norwegian Refugee Council over gedwongen verwijdering van binnenlandse vluchtelingen uit de grote steden. Ook voor wat betreft artikel 29c Vw 2000 is het binnenlands vestigingsalternatief tegengeworpen. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 juni 2003 (200301449; JV 2003/332) en van 19 januari 2005 (200407207/1; JV 2005, 122) merkt de rechtbank op dat anders dan de onderdelen a en b van artikel 29, eerste lid, Vw 2000, die betrekking hebben op hetgeen de vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst mogelijk te wachten staat, het in het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, geformuleerde traumatabeleid naar zijn strekking voorziet op bescherming wegens gebeurtenissen die reeds hebben plaatsgevonden. Het beleid strekt er toe dat ten aanzien van bepaalde limitatief opgesomde gebeurtenissen die de asielzoeker zijn overkomen door toedoen van de overheid of door een groepering die feitelijk de macht uitoefent of waartegen door de overheid geen bescherming wordt geboden, wordt aangenomen dat deze voor een asielzoeker zodanig traumatiserend zijn geweest, dat van hem of haar redelijkerwijs niet kan worden verlangd terug te keren naar het land van herkomst. Voor zover de aanvraag is afgewezen vanwege het binnenlandse vestigingsalternatief, is het bestreden besluit in strijd met het beleid. Volgens het beleid wordt immers in het geval de centrale overheid geen bescherming kan bieden, het binnenlands vestigingsalternatief niet tegengeworpen.
De uitspraak op rechtspraak.nl