Rb. 's-Gravenhage 27 januari 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BH1482

Amv / voortgezet verblijf / artikel 8 EVRM Eiser, afkomstig uit Angola, had op 28 juni 2004 drie jaar een verblijfsvergunning onder de beperking amv. Nu op grond van TBV 2003/64 sinds 1 januari 2004 adequate opvang geacht wordt aanwezig te zijn voor Angolese amv-ers voldeed eiser vanaf die datum niet meer aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning. Verweerder heeft derhalve met juistheid vastgesteld dat eiser niet voldoet aan de eisen van artikel 3.51 van het Vb 2000, alsook, gelet op de verweerder toekomende beoordelingsvrijheid, tot de conclusie kunnen komen dat eiser ook niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning naar aanleiding van artikel 3.52 van het Vb 2000 of artikel 4:84 Awb. Met betrekking tot eisers beroep op artikel 8 EVRM overweegt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit nagenoeg uitsluitend heeft getoetst aan het door dit artikel beschermde privé-leven, echter niet of nauwelijks aan eisers gezinsleven met zijn zussen. In het bestreden besluit had verweerder gesteld dat er, bij ontbreken van “more than normal emotional ties”, geen sprake was van gezinsleven, maar in het verweerschrift en ter zitting stelt verweerder dat van een dergelijk gezinsleven wel sprake is maar de inmenging gerechtvaardigd. Gelet op het beleid (B2/10.2.4) dient verweerder bij de toets aan artikel 8 EVRM de belangen van familie- en gezinsleven in samenhang te toetsen. Verweerder maakt geen melding van een in deze zaak voor de belangenafweging terzake van de inmenging centrale omstandigheid: het door eiser in 2005 gepleegde strafbare feit, waardoor aan hem in het kader van de Generaal Pardonregeling niet en aan zijn zussen wèl een verblijfsvergunning is verleend. Verweerder heeft daarmee niet kenbaar getoetst in welke verhouding tot de, mutatis mutandis door de rechtbank aan de orde geachte, “Boultif”criteria het door eiser gepleegde strafbare feit staat. De in bezwaar aangevoerde omstandigheden zijn alle te herleiden tot een van deze “Boultif”-criteria. Daaronder het feit dat verweerder in de omstandigheden van de zussen kennelijk aanleiding heeft gezien om hen een verblijfsvergunning in het kader van het generaal pardon te verlenen, zij zich (ook) zeven jaar in Nederland bevonden, in een gelet op hun leeftijd (eveneens) kwetsbare fase van hun ontwikkeling, het, met een brief van de voormalig voogd van eiser onderbouwde dilemma - dat als laatste “Boultif”criterium kan worden aangemerkt - waarvoor deze zussen vanuit hun lotsverbondenheid met eiser zullen worden gesteld als zij besluiten niet met eiser mee terug te keren naar Angola, het feit dat eiser zijn strafbare feit heeft gepleegd in 2005, op vijftienjarige leeftijd, waarvoor hij door de kinderrechter is veroordeeld tot een taakstraf welke hij in jeugdinrichting Harreveld heeft vervuld en hij vervolgens heeft verbleven in een inrichting voor moeilijk opvoedbaren. Het bestreden besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen