Rb. 's-Gravenhage 19 december 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BG9973
Gezinshereniging / gezinsvorming / middelenvereiste / inherente afwijkingsbevoegdheid / blijvend gedeeltelijk arbeidsongeschikt Met betrekking tot het standpunt van verweerder dat er geen aanleiding is om gebruik te maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid, oordeelt de rechtbank als volgt. Het beleid, zoals opgenomen onder B2/2.10 van de Vc 2000, is niet onredelijk. Ingevolge artikel 4:84 van de Awb dient dan ook in beginsel overeenkomstig deze beleidsregels te worden beslist. In bijzondere gevallen kan afwijking hiervan echter noodzakelijk zijn. Daarvan is sprake indien het handelen overeenkomstig de beleidsregel in een bijzonder geval zou leiden tot nadelige gevolgen voor een of meer belanghebbenden die onevenredig zouden zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Afwijken is in dat geval geoorloofd en geboden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op basis van de inhoud van voornoemde stukken niet zonder meer op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding is om artikel 4:84 van de Awb toe te passen en referente vrij te stellen van het inkomensvereiste. Het is immers evident dat referente, gelet op haar beperkte verstandelijke vermogens, blijvend voor een beperkt aantal uren (maximaal 20 uren per week) inzetbaar zal zijn en op laagbetaalde arbeid in Wsw-verband zal zijn aangewezen, zodat zij nimmer aan het middelenvereiste zal kunnen voldoen.
De uitspraak op rechtspraak.nl