Rb. 's-Gravenhage 22 december 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BG9131
Vreemdelingenbewaring / Schengengrenscode (Sgc) / rechtmatig verblijf / vrije termijn als bedoeld in artikel 5 van de Sgc en artikel 12 van de Vw De rechtbank constateert dat eiser als onderdaan van Kroatië niet visumplichtig is en dat eiser beschikt over een geldig paspoort. Voor de aanspraak op de vrije termijn van drie maanden dient eiser als derdelander ook te voldoen aan de toegangsvoorwaarden als bedoeld in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Scg. De rechtbank stelt in dat kader vast dat onduidelijk is met welk verblijfsdoel, bedoeld in dat artikellid eiser naar Nederland is gekomen. Eiser heeft hierover wisselende verklaringen afgelegd. Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat eiser zijn verblijfsomstandigheden heeft kunnen staven. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat eiser ten tijde van zijn inbewaringstelling niet voldeed aan het middelenvereiste op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Sgc en artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Voorts heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij hier te lande op rechtmatige wijze middelen van bestaan weet te verwerven. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat in zijn geval niet per dag dient te worden bekeken of eiser over voldoende middelen van bestaan beschikt, aangezien uit de bewoordingen van artikel 5 van de Sgc blijkt dat de vreemdeling voor de duur van zijn verblijf over middelen van bestaan dient te beschikken. Bij het voorgaande neemt de rechtbank mede in aanmerking dat eiser volgens het verslag van het op 9 december 2008 gehouden vertrekgesprek heeft verklaard geen geld verder meer te hebben om zijn doorreis te bekostigen. De stelling van eiser dat vanwege het voorgenomen familiebezoek het middelenvereiste van € 34,- per dag soepel moet worden gehandhaafd, kan de rechtbank niet volgen. Eiser heeft het voorgenomen verblijf bij familie op geen enkele wijze gestaafd en ook overigens zijn het reisdoel, de duur van het voorgenomen verblijf en de persoonlijke omstandigheden van eiser onduidelijk. Hieruit kan dan ook niet worden afgeleid dat eiser op andere wijze in zijn middelen zal gaan voorzien. Daarnaast is op geen enkele wijze gebleken dat eiser in staat zou zijn geweest de middelen rechtmatig te verwerven. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet eiser dan ook niet aan de toegangsvoorwaarden bedoeld in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Scg voor een verblijf van ten hoogste drie maanden. Er is dan ook geen sprake van rechtmatig verblijf van eiser. Uit het voorgaande volgt dat het eiser niet is toegestaan op grond van artikel 12, eerste lid, van de Vw gedurende een bepaalde termijn in Nederland te verblijven. Dit betekent dat de krachtens het tweede lid van artikel 12 van de Vw bepaalde termijn van acht dagen in artikel 3.3, tweede lid, van de Vb evenmin op hem van toepassing is.
De uitspraak op rechtspraak.nl