Rb. 's-Gravenhage 22 december 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BG8390

Intrekking verblijfsvergunning / ongewenstverklaring / artikel 3.86, derde lid, Vb 2000 / strafmaatvergelijking In geschil is de vraag of de strafmaatvergelijking van het Duitse vonnis met de Nederlandse maatstaven van verweerder voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en of verweerder zich daarop heeft mogen baseren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voor de strafmaatvergelijking zich niet uitsluitend mogen baseren op hetgeen de officier van justitie blijkens het bij brief van 7 mei 2007 gegeven advies zou hebben geëist. De enkele eis van de officier van justitie acht de rechtbank onvoldoende voor de beoordeling of de in het buitenland opgelegde straf vergelijkbaar is met de strafmaat die in Nederland zou zijn opgelegd wanneer is het feit in Nederland zou zijn gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat het advies van 7 mei 2007 onvoldoende informatie bevat om tot een adequate strafmaatvergelijking te komen, nu uit dat advies niet blijkt of de officier van justitie bij zijn onderzoek zich heeft georiënteerd op bij voorbeeld recente jurisprudentie waaruit blijkt welke straffen in soortgelijke gevallen als de onderhavige door de rechter zijn opgelegd, de zogenaamde oriëntatiepunten van straftoemeting of afspraken van het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren (LOVS). Ook ter zitting heeft verweerder hieromtrent niet meer duidelijkheid kunnen verschaffen. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat er voor verweerder bij de strafmaatvergelijking van in het buitenland gepleegde strafbare feiten geen andere werkwijze mogelijk is dan aan het Openbaar Ministerie te vragen welke straf in Nederland zou zijn geëist. Dat daarbij wordt aangesloten bij de gepubliceerde richtlijnen van het Openbaar Ministerie met betrekking tot de eis van de officier van justitie, acht de rechtbank onvoldoende. De rechtbank onderkent dat het voor een officier van justitie niet mogelijk zal zijn aan te geven welke straf uiteindelijk door de Nederlandse rechter zou zijn opgelegd indien het feit in Nederland was gepleegd. Het moet echter wel mogelijk worden geacht een, op jurisprudentie en oriëntatiepunten van straftoemeting gebaseerde, inschatting te geven van de in Nederland te verwachten straf. Thans is slechts gevraagd naar de te verwachten eis van de officier van justitie. Het staat de officier van justitie vrij om, om hem moverende redenen, een eis te formuleren die hoger ligt dan hetgeen gemiddeld genomen voor een dergelijk delict door de rechter wordt opgelegd. Dit volgt ook uit het toelichtende schrijven van de parketsecretaris waarin is aangegeven dat geen rekening is gehouden met de (hypothetische) strafmaat van het eventuele vonnis. Met deze marge wordt thans op geen enkele wijze rekening gehouden. De rechtbank acht dit onjuist, mede gelet op de ingrijpendheid van het besluit dat op het advies van de officier van justitie is gebaseerd. De rechtbank oordeelt dat voor zover in verweerders beleid, neergelegd in de Vc 2000, is bepaald dat voor de strafmaatvergelijking van in het buitenland gepleegde en/of berechte misdrijven wordt aangesloten bij de gepubliceerde richtlijnen van het Openbaar Ministerie met betrekking tot de eis van de officier van justitie, dit beleid zich niet (geheel) verhoudt met artikel 3.86, derde lid, van het Vb 2000, zijnde een algemeen voorschrift waarvan niet bij beleidsregel kan worden afgeweken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen