Rb. 's-Gravenhage 8 december 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BG7121

COA-maatregelen / overplaatsing / appelabel besluit / oplegging ROV-maatregel Verweerder, het COA, heeft eisers medegedeeld dat zij het terrein van de COA binnen een kwartier dienden te verlaten. Sprake van verhuizing naar andere opvanglocatie. Deze mededelingen zijn schriftelijke beslissingen en dienen te worden aangemerkt als appellabele besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De vreemdelingenrechter is bevoegd van dit geschil kennis te nemen (AbRS 27 juni 2006, 200501444/1, LJN: AT8812, JV 2005/344). T.a.v. de besluiten tot overplaatsing Gebleken is dat eisers mededeling is gedaan van een aantal incidenten die hun worden aangerekend en dat op grond daarvan is besloten dat zij niet langer op de opvanglocatie in Leersum kan verblijven. Eisers is vervolgens te verstaan gegeven dat zij naar de opvanglocatie te Echt moesten verhuizen en met de nodige spullen direct dienden te vertrekken. Uit het verslag kan niet worden afgeleid dat eisers de gelegenheid hebben gehad hun zienswijze met betrekking tot de incidenten en tot het voornemen tot overplaatsing naar voren te brengen. Ter zitting hebben eisers bevestigd dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld iets tegen de beschuldigingen of tegen het voornemen tot overplaatsing in te brengen. Zij hebben bevestigd dat zij het terrein binnen een kwartier dienden te verlaten. Verweerder heeft dit niet weersproken. Derhalve geen sprake van horen zoals voorgeschreven in artikel 4:8 van de Awb en belangenafweging voortvloeiend uit artikel 3:2 van de Awb. Voorts bevatten de bestreden besluiten tot overplaatsing ter motivering uitsluitend de mededeling dat eisers overlast veroorzaken voor bewoners en/of COA-medewerkers. In de besluiten van de beide ouders is niet aangegeven waaruit die overlast zou bestaan. De besluiten bevatten derhalve geen kenbare motivering. De bestreden besluiten zijn derhalve onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Ten aanzien van de 14-jarige zoon heeft de rechtbank overwogen dat aan hem kan worden verweten dat hij betrokken is geweest bij een brandje op een basketbalveld. Betrokkene heeft dit ook toegegeven en hem is in verband hiermee een strafmaatregel opgelegd. Ter zake van de overige voorvallen is niet gebleken dat betrokkene daarvoor ter verantwoording is geroepen, laat staan dat hij daaromtrent is gehoord, zoals voorgeschreven. Die voorvallen kunnen daarom niet (alsnog) aan het bestreden besluit tot overplaatsing ten grondslag worden gelegd. Betrokkenheid van betrokkene bij een brand in een van de gebouwen heeft betrokkene ontkend en evenmin is bewijs geleverd dat betrokkene bij die brand betrokken zou zijn geweest. Voor het overige blijkt niet dat betrokkene (of zijn ouders) ooit eerder een officiële waarschuwing ter zake van veroorzaakte overlast heeft (hebben) ontvangen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder bij afweging van de in aanmerking komende belangen in redelijkheid niet tot overplaatsing van betrokkene heeft kunnen komen. T.a.v. ROV-maatregel Betrokkene (de zoon) is – als strafmaatregel - een zogenaamde ROV maatregel (categorie 5) opgelegd, inhoudende dat voor de duur van acht weken een bedrag van € 41,38 op zijn uitkering wordt ingehouden. Reden van deze strafmaatregel is dat betrokkene betrokken is geweest bij brandstichting op een basketbalveld. Dat feit wordt door betrokkene niet betwist. De rechtbank is gebleken dat de opgelegde strafmaatregel onjuist is toegepast. De aan betrokkene opgelegde straf behoort immers bij een maatregel welke wordt opgelegd ingeval van herhaalde overlast van minder lichte aard. Nog daargelaten dat het vermelde bedrag in het bestreden besluit onjuist is, is er ook geen sprake van herhaalde overlast, nu betrokkene alleen het brandje op het basketbalveld kan worden aangerekend. Weliswaar heeft verweerder dit feit kunnen classificeren als overlast van minder lichte aard, maar niet als herhaalde overlast van minder lichte aard. Bijgevolg kan volgens de gehanteerde strafmaatregelen slechts een inhoudingsperiode van vier weken in plaats van acht weken worden toegepast. Verweerder heeft derhalve gehandeld in strijd met het eigen beleid, zodat het bestreden besluit tot inhouding van de uitkering voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikel 4:84 van de Awb. De beroepen worden gegrond verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen