Rb. 's-Gravenhage 20 november 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BG7098
Ongewenstverklaring / belangenafweging / Turkse transseksueel / motiveringsgebrek Eiser is een vreemdeling van de Turkse nationaliteit. Eiser is in Turkije geboren als vrouw, maar is tijdens zijn rechtmatig verblijf in Nederland van geslacht veranderd en is thans man. Eiser is ongewenst verklaard; daarnaast heeft verweerder eisers aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf afgewezen. Voor zover het beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de ongewenstverklaring, heeft de rechtbank allereerst geoordeeld dat eiser niet valt onder de werking van artikel 7, eerste lid, van het Associatiebesluit 1/80 en daarmee niet het openbare orde-criterium van het gemeenschapsrecht geldt. Hieraan is ten grondslag gelegd dat niet aannemelijk is gemaakt dat de Turkse ex-echtgenoot van eiser ten tijde van de vergunningverlening aan eiser per 16 december 1994 werknemer was in de zin van voormeld artikellid. Verweerder beschikt echter niet meer over de aan de vergunningverlener ten grondslag liggende stukken. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat bij eiser de bewijslast ligt om aannemelijk te maken op welke wijze door eisers ex-echtgenoot is voldaan aan het middelenvereiste. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat aan de door verweerder gehanteerde bevoegdheidsgrondslag voor de ongewenstverklaring (artikel 67, aanhef en onder b, van de Vw 2000) is voldaan. Ten aanzien van de door verweerder verrichte belangenweging heeft de rechtbank overwogen dat het door eiser gestelde ten aanzien van zijn transseksualiteit en zijn medische omstandigheden niet kan leiden tot het oordeel dat sprake zal zijn van schending van artikel 3 van het EVRM. Ten aanzien van eisers beroep op het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op privé-leven heeft de rechtbank evenwel geoordeeld dat het bestreden besluit op dit punt een voldoende daadkrachtige motivering ontbeert en het beroep aldus gegrond dient te worden verklaard voor zover het is gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de ongewenstverklaring. Het bestreden besluit vermeldt niet waarom de periode gedurende welke eiser hier te lande verblijf heeft gehad (waarvan van 16 december 1994 tot 15 januari 2003 op basis van een verblijfsvergunning), onvoldoende gewicht in de schaal legt. Voorts is niet gemotiveerd waarom volgens verweerder niet is gebleken van een positieve gedragsverandering. De rechtbank is voorts van oordeel dat het bestreden besluit eveneens een voldoende deugdelijke motivering ontbeert waar verweerder heeft getoetst aan het Üner criterium “de sociale, culturele en familiebanden met het gastland en het land van herkomst”. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat verweerder zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de omstandigheid dat eisers familie op het platteland woont en eiser, zoals door verweerder zelf is aangegeven bij zijn standpunt ter zake van artikel 3 van het EVRM, aldaar van de zijde van de bevolking als transseksueel weinig tolerantie tegemoet zal kunnen zien. Bij verblijf in de grote steden kan eiser, gelet op hetgeen uit diverse ambtsberichten over de positie van transseksuelen aldaar blijkt, eveneens allerlei problemen ondervinden. Het beroep, voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag tot verlening van een vergunning voor voortgezet, heeft de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
De uitspraak op rechtspraak.nl