Rb. 's-Gravenhage 14 oktober 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BG5804

Middelenvereiste / toestsingsmoment Vaststaat dat referente op het moment van de beschikking op bezwaar een arbeidscontract had voor de duur van zes maanden. Met ingang van 25 september 2007 is dat contract omgezet in een contract voor onbepaalde tijd. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door het nemen van een besluit op bezwaar op 3 augustus 2007. Uit de tekst van artikel 3.75, eerste lid, van het Vb 2000 blijkt dat aan het vereiste van voldoende en duurzame middelen van bestaan moet worden voldaan op het moment van het indienen van de aanvraag of op het moment van de bestreden beslissing. Het is aan verzoeker om aan te tonen dat referente aan het middelenvereiste voldoet. Uit het verslag van de hoorzitting van 29 mei 2007 blijkt niet dat is aangetoond dat referente met ingang van 25 september 2007 aan het middelenvereiste zou gaan voldoen. Er zijn door referente op het moment van de hoorzitting slechts verwachtingen uitgesproken dat haar contract voor zes maanden verlengd zou worden. Bij de afsluiting van de hoorzitting is namens verweerder meegedeeld dat binnen zes weken een besluit genomen zou worden. Nu verzoeker ook niet in die tussentijd heeft gemeld dat het contract van referente omgezet zou worden naar een contract voor onbepaalde tijd, of heeft verzocht om aanhouding van de beslissing op bezwaar totdat duidelijkheid bestond over de omzetting van het contract van referente, kan niet gesteld worden dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door het het besluit op bezwaar niet aan te houden tot na 25 september 2007.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen