Rb. 's-Gravenhage 12 november 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BG5741
Eiser is de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (TBS) opgelegd. In afwachting van een plaats in een TBS-kliniek verbleef eiser in verschillende penitentiaire inrichtingen. Een dergelijk verblijf wordt 'passantenverblijf' genoemd. Eiser vordert een schadevergoeding ten bedrage van € 3.525,--, vermeerderd met rente alsmede vergoeding van incassokosten en proceskosten. Aan zijn vordering legt hij ten grondslag, kort weergegeven, dat hij schade heeft geleden ten gevolge van onrechtmatig verblijf in penitentiaire inrichtingen. De Staat voert als verweer aan, dat de termijn van plaatsing in een TBS-inrichting ingevolge artikel 12 lid 1 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (hierna: de Beginselenwet) zes maanden bedraagt en dat deze termijn vervolgens op grond van het tweede lid van dat artikel telkens met drie maanden is verlengd. De Staat beroept zich op de formele rechtskracht van deze beslissingen. Het moge zo zijn, dat het passantenverblijf niet strijdig was met de bepalingen van de Beginselenwet en de op grond van die wet gegeven beschikkingen, doch eiser beroept zich op onrechtmatigheid ingevolge artikel 5 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voor zover sprake is van beschikkingen op grond van de Beginselenwet, die strijdig zijn met artikel 5 EVRM, kan het beroep van De Staat op de formele rechtskracht van die beschikkingen niet slagen. De strijdigheid met het EVRM en de onrechtmatigheid van de betreffende handelingen wordt daarmee immers niet opgeheven.
De uitspraak op rechtspraak.nl