Rb. 's-Gravenhage 11 september 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BG5142

Successierecht. Het door erflaatster handgeschreven, onderhands, ongedagtekend, niet ondertekend en niet aan een notaris in bewaring gegeven stuk is blijkens zijn inhoud erop gericht dat de daarin vastgelegde - door belanghebbende te verrichten - betalingen uit de nalatenschap pas zullen plaatsvinden na haar overlijden. Het stuk moet worden aangemerkt als een uiterste wilsbeschikking in de zin van artikel 4:42 BW. Een uiterste wil dient door de erflater te worden ondertekend, op straffe van nietigheid (artikel 4:109, eerste lid, BW). Nu het door erflaatster opgestelde stuk niet is ondertekend, kunnen daaruit dus geen rechtens afdwingbare verplichtingen ontstaan. Het ontbreken van de handtekening kan niet op de voet van artikel 3:58 BW door bekrachtiging door een erfgenaam worden hersteld. Het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 1981, nr. 19 693, BNB 1981/88, ziet op een reeds tijdens het leven van de erflater overeengekomen en ingegane schenking. Dit is hier echter niet aan de orde, zodat het arrest toepassing mist. Er is geen sprake van rechtens afdwingbare schulden en evenmin van een rechtsgeldig legaat of een rechtsgeldige testamentaire last.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen