Rb. 's-Gravenhage 15 oktober 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BG1909
Richtlijn 2003/109/EG (langdurig ingezeten) artt. artikel 4, eerste lid, en artikel 3, tweede lid, onder e / Vw 2000 artt. 21 en 21a / Vijfjarentermijn / Formeel beperkt verblijfsrecht / Art. 4:84 Awb De rechtbank is van oordeel dat waar het gaat om de in artikel 4, eerste lid, van de richtlijn vermelde voorwaarde van vijf jaar ononderbroken legaal verblijf onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van de desbetreffende aanvraag, alsmede wat betreft de in artikel 3, tweede lid, onder e, van de richtlijn opgenomen zinsnede “in gevallen waarin de verblijfsvergunning formeel beperkt is”, gelet op het aangehaalde uit de MvT, in het licht van de richtlijn, op een juiste wijze is geïmplementeerd in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a respectievelijk onder b, van de Vw 2000. Het vorenstaande leidt de rechtbank tevens tot de conclusie dat eiseres weliswaar direct voorafgaande aan de onderhavige aanvraag gedurende vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf heeft gehad als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, maar dat zij in de periode van 15 juni 2001 tot 7 augustus 2001 slechts een formeel beperkt verblijfsrecht heeft gehad als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, aangezien zij in die periode slechts verblijf had in afwachting van een beslissing op haar asielaanvraag. Aldus was verweerder bevoegd om de aanvraag van eiseres om verlening van de status van langdurig ingezetene af te wijzen. Voor zover eiseres heeft beoogd te betogen dat verweerder met toepassing van artikel 4:84 van de Awb had dienen af te wijken van het ter zake neergelegde in de paragrafen B1/7.1.1 en B1/7.1.2 van de Vc 2000, betrekking hebbend op de in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 vermelde voorwaarde van “vijf jaren rechtmatig verblijf onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag” respectievelijk het begrip “formeel beperkt verblijfsrecht”, kan eiseres hierin niet worden gevolgd. De genoemde voorwaarde respectievelijk het genoemde begrip zijn opgenomen in artikel 21 van de Vw 2000, zijnde een algemeen verbindend voorschrift. Daarbij zijn de betreffende bepalingen zodanig geformuleerd dat aan verweerder ter zake geen beleidsvrijheid toekomt. Het bepaalde in artikel 4:84 van de Awb mist derhalve toepassing. Voor het overige kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verweerder bij afweging van de in aanmerking komende belangen niet in redelijkheid tot de onderhavige afwijzing heeft kunnen komen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de omstandigheid dat de status van langdurig ingezetene tevens het recht van verblijf in andere lidstaten meebrengt, zodat niet voor de hand ligt om ondanks de aanwezigheid van een afwijzingsgrond niet van de bevoegdheid tot afwijzing gebruik te maken. In dat verband is voorts van belang dat ter uitvoering van artikel 13 van de richtlijn in artikel 21a van de Vw 2000 de mogelijkheid is opgenomen om onder gunstiger voorwaarden een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen.
De uitspraak op rechtspraak.nl