Rb. 's-Gravenhage 6 augustus 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BF6668
Driejarenbeleid in reguliere procedure / Tijdsverloop, schorsende werking bezwaar en beroep / Rechtsverwerking Eiser heeft een beroep gedaan op het driejarenbeleid inzake reguliere procedures. Verweerder heeft gesteld dat eiser geen drie jaar procedureel rechtmatig verblijf heeft gehad. De opbouw van relevante tijd is volgens verweerder gestuit door het onthouden van schorsende werking aan het bezwaar en vervolgens het beroep, dat is ingesteld in de procedure tot verlenging van de verblijfsvergunning onder de beperking arbeid als zelfstandige. De rechtbank verwerpt dit standpunt. Verweerder heeft in de verlengingsprocedure wisselende signalen afgegeven over de vraag of het eiser was toegestaan om in afwachting van de afronding daarvan in Nederland te verblijven. Enerzijds is schorsende werking onthouden aan het bezwaar, anderzijds is tussen 16 juni 1998 en 24 augustus 2000, zeven keer een terugkeervisum aan eiser verstrekt. Niet in geschil is dat een terugkeervisum enkel verleend wordt aan vreemdelingen die (processueel) rechtmatig verblijf genieten. Verweerder heeft niet kunnen aangeven waarom deze visa zijn verleend, anders dan dat verweerder er van uitging dat eiser rechtmatig verblijf had in Nederland. Nu verweerder daar ook zelf naar gehandeld heeft, heeft verweerder het recht verwerkt zich op het ontbreken van de schorsende werking van het bezwaar te beroepen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het driejarenbeleid juist is bedoeld om te voorkomen dat vreemdelingen die om toelating verzoeken lang in onzekerheid blijven en dat verweerder zelf extra onduidelijkheid heeft gecreëerd omtrent eisers verblijfspositie. Het beroep op het beleid inzake tijdsverloop slaagt, zodat eiser ten onrechte is tegengeworpen dat hij niet beschikt over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Uit het beleid (thans neergelegd in hoofdstuk B1/4.10 van de Vc 2000) volgt echter dat eiser aan de overige voorwaarden voor vergunningverlening moet voldoen. Terecht is door verweerder geoordeeld dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat met de betreffende bedrijfsactiviteit een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend. Het mvv-vereiste is ten onrechte tegengeworpen, maar het overigens aan het besluit tot afwijzing ten grondslag gelegde kan de afwijzing zelfstandig dragen. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl