Rb. 's-Gravenhage 21 augustus 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BF1820

Aanvraag verblijfsvergunning voor langdurig ingezeten derdelander op grond van richtlijn 2003/109/EG. Is het begrip 'legaal verblijf' uit richtlijn 2003/109/EG onjuist omgezet in nationale regelgeving door te verlangen dat een vreemdeling vijf jaar aaneengesloten verblijf op basis van een verblijfsvergunning heeft gehad? Ten aanzien van het argument van eiser dat het belangrijkste criterium voor toekenning van de status van langdurig ingezetene het langdurig verblijf is en niet of dit verblijf op grond van een verblijfsvergunning is geweest, overweegt de rechtbank dat dit argument geen steun vindt in de richtlijn. Immers, uit overweging 2 van de preambule bij de richtlijn blijkt dat het doel van de richtlijn is een aantal uniforme rechten te verstrekken aan onderdanen van derde landen, die een vergunning tot langdurig verblijf hebben. De stelling dat het nuttig effect van de richtlijn verloren zou gaan indien men eerst rechtmatig verblijf moet hebben gehad en dat de richtlijn tot doel heeft om de verblijfsrechten van vreemdelingen die langdurig op het grondgebied van de lidstaat verblijven te legaliseren, volgt de rechtbank niet, nu deze stelling geen basis heeft in de richtlijn of de preambule. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij sterke banden heeft opgebouwd met Nederland en hier te lande een bestaan heeft opgebouwd, moet worden overwogen dat aan dergelijke banden, opgebouwd gedurende een periode dat het eiser niet expliciet was toegestaan in Nederland te verblijven, niet dat gewicht kan worden toegekend dat eiser daaraan toegekend wenst te zien. Dat eiser gedurende zijn verblijf in Nederland heeft gewerkt en premies en belasting heeft afgedragen en in het bezit is gesteld van een sofinummer maakt dit niet anders. Hieruit heeft eiser niet kunnen afleiden dat de Nederlandse autoriteiten zijn verblijf impliciet toe hebben gestaan. Wat verder ook van dit argument zij, in de richtlijn en de preambule is geen steun te vinden voor het standpunt van eiser dat (stilzwijgende) instemming, eenvoudig door de onderdaan van een derde land niet uit te zetten, gelijk moet worden gesteld of moet worden aangemerkt als legaal verblijf in de zin van de richtlijn. Het betoog dat richtlijn 2003/109 onjuist in de nationale wetgeving is geïmplementeerd faalt derhalve.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen