Rb. 's-Gravenhage 21 augustus 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BF0817
Amv / Weigering voortgezet verblijf / 8 EVRM en 3:52 Vb / Privé leven / betekenis pedagogisch rapport Eiser is afkomstig uit Mongolië en heeft sinds 2001 – vanaf zijn tiende levensjaar – op basis van een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv) in Nederland verbleven. De aanvraag om wijziging en verlenging van de vergunning is door verweerder geweigerd. Eiser voert hiertegen onder meer aan dat hij reeds zes jaar in een Nederlands pleeggezin woont, hier is geïntegreerd en een opleiding volgt. Ten eerste overweegt de rechtbank dat uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), zie de uitspraak van 29 april 2005, LJN: AT5486, nr. 200501033/1, blijkt dat bij de beoordeling van omstandigheden in het kader van artikel 3.52 Vb 2000 tevens artikel 8 EVRM aan de orde kan worden gesteld. De rechtbank is voorts van oordeel dat de weigering eiser de gevraagde vergunning te verlenen, moet worden aangemerkt als een inmenging op het recht op privéleven. De stelling van verweerder dat niet is gebleken van zeer langdurig rechtmatig verblijf en diepe worteling in Nederland, behoeft in die zin nuancering dat eiser wel gedurende de voor zijn ontwikkeling vormende levensjaren – vanaf zijn tiende tot en met zijn zestiende – in Nederland heeft gewoond. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van het EHRM van 6 februari 2001, JV 2001/103 (Bensaid), waarin onder meer is geoordeeld dat het recht op persoonlijke ontwikkeling een onderdeel vormt van het recht op privéleven. Voorts heeft eiser gedurende de beroepsfase inzake het eerdere (ingetrokken) besluit op bezwaar van 28 februari 2007 een pedagogisch rapport ingebracht. Dit rapport, getiteld “De schade die kinderen oplopen als zij na langdurig verblijf in Nederland gedwongen worden uitgezet” van dr. M.E. Kalverboer en drs. A.E. Zijlstra van april 2006, ondersteunt de stelling van eiser dat door de weigering hem een vergunning voortgezet verblijf te verlenen, zijn geestelijke gezondheid wordt geschaad. In het rapport staat dat gedwongen uitzetting van kinderen in de leeftijd van 12 tot 18 jaar die vijf jaar in Nederland hebben verbleven vrijwel nooit acceptabel is, gelet op de grote kans op psychische en psychologische schade in verband met gedwongen vertrek uit Nederland. Nu verweerder niet is ingegaan op het aangehaalde rapport en ook anderszins het risico op schade aan de geestelijke gezondheid van eiser niet heeft betrokken in de afweging of de inmenging van het recht op respect van zijn privéleven is gerechtvaardigd, is het bestreden besluit op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd. Dit klemt te meer, nu verweerder de lange duur van het rechtmatig verblijf van eiser in Nederland, welke mede is veroorzaakt door de trage besluitvorming van verweerder – hetgeen in het bijzonder pregnant is nu het hier gaat om een minderjarige die zich in de vormende jaren van zijn leven bevindt – onvoldoende bij voornoemde belangenafweging heeft betrokken. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl