Rb. 's-Gravenhage 10 september 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BF0187
Zie ook LJN BF0184. Eisers zijn nabestaanden van R. M. die werkzaam was als elektricien voor Dutchbat. Aangenomen wordt dat hij na zijn onvrijwillige vertrek van het basiskamp van Dutchbat is vermoord. Eisers in beide zaken stellen dat Dutchbat en ‘Den Haag’ onrechtmatig hebben gehandeld door de slachtoffers onvoldoende bescherming te bieden en hen aan de vijand bloot te stellen. De Nederlandse Staat moet hiervoor volgens eisers aansprakelijk worden gehouden. Eisers in deze beroepen zich bovendien op een beschermingsovereenkomst die R. M. met de Staat zou hebben gesloten. Het verweer van de Staat houdt in de kern in dat het handelen van Dutchbat niet aan de Nederlandse Staat, maar uitsluitend aan de Verenigde Naties moet worden toegerekend, aangezien deze organisatie de operationele gezags- en bevelsbevoegdheid over het Nederlandse bataljon uitoefende. De rechtbank heeft dit verweer gehonoreerd. Het handelen van Dutchbat moet volgens de rechtbank worden beoordeeld in het kader van het optreden van UNPROFOR, waarvan het deel uitmaakte. De rechtbank verwerpt de stelling dat na overdracht van de relevante bevels- en gezagsbevoegdheden aan de Verenigde Naties nog steeds moet worden getoetst of de Staat heeft voldaan aan zijn verplichtingen onder de mensenrechtenverdragen, het Genocideverdrag en de Rode Kruisverdragen (conventies van Genève). Wanneer bij de uitoefening van bevoegdheden waarover de Staat niet meer beschikt, normen zijn geschonden, dan heeft als uitgangspunt te gelden dat deze schendingen niet aan de Staat kunnen worden toegerekend. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is volgens de rechtbank niet van toepassing, aangezien de Verenigde Naties daarbij geen partij zijn en de inwoners van Srebrenica niet onder de rechtsmacht van Nederland vielen. Alleen wanneer de leiding van de Nederlandse krijgsmacht en/of leden van de Nederlandse regering de bevelsstructuur van de Verenigde Naties hadden doorbroken, waardoor de feitelijke grondslag waarop de toerekening aan de Verenigde Naties berust in juli 1995 was aangetast, bestaat er ruimte voor toerekening aan de Nederlandse Staat. De rechtbank heeft daarom onderzocht of van de kant van de Nederlandse autoriteiten aan Dutchbat opdracht is gegeven om VN-bevelen te negeren of daartegen in te gaan. Ook heeft de rechtbank zich afgevraagd of Dutchbat zich met instemming van de gezagsdragers in Nederland in meer of mindere mate uit de VN-bevelslijn heeft losgemaakt. Op basis van de door eisers gestelde feiten heeft de rechtbank echter niet tot toerekening aan de Nederlandse Staat kunnen concluderen. De rechtbank wijst de vordering af.
De uitspraak op rechtspraak.nl