Rb. 's-Gravenhage 21 augustus 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BE9530
Geen heffing van ingezetenenomslag en verontreinigingsheffing mogelijk omdat eiseres geen gebruik van een woonruimte heeft. In geschil is of verweerder eiseres terecht aanslagen in de verontreinigingsheffing en de ingezetenenomslag heeft opgelegd. Eiseres woonde begin 2007 in een pand, plaatselijk bekend A-weg 1 te R. Er waren nog twee andere bewoners. Het pand is een door de eigenaar ervan verhuurd woonhuis. Feiten waaruit kan worden afgeleid het pand bestond uit verschillende woonruimten in de zin van artikel 118, derde lid, aanhef en onderdeel b, Wsw en artikel 17, aanhef en onderdeel c, Wvo zijn gesteld noch gebleken. Nu uit de vaststaande feiten niet volgt dat zulks anders is, gaat de rechtbank ervan uit dat, zoals in een dergelijke verhuursituatie gebruikelijk is, elk van de bewoners beschikte over een eigen kamer en gebruik kon maken van gemeenschappelijke voorzieningen, zoals keuken, toilet en wasgelegenheid. De stelling van verweerder dat de bewoners van het pand gezamenlijk een huishouding in de zin van artikel 118, derde lid, aanhef en onderdeel a, tweede zinsdeel, Wsw en artikel 18, derde lid, aanhef en onderdeel a, Wvo voerden, vindt geen steun in de feiten. Gelet op HR 23 juli 1984, nr. 22 178, V-N 1984, blz. 1973, konden de ruimten, die de bewoners van het pand huurden, nu deze ruimten, naar hiervoor is overwogen, geen woonruimten in de zin van artikel 17, aanhef en onderdeel c, Wvo waren, voor de verontreinigingsheffing afzonderlijk noch gezamenlijk als woonruimte worden aangemerkt. Het pand was mitsdien, in de terminologie van de Wvo, een bedrijfsruimte. Op grond van artikel 18, derde lid, aanhef en onderdeel b, Wvo was de eigenaar/verhuurder van het pand de gebruiker van deze bedrijfsruimte. Dus heeft verweerder eiseres ten onrechte voor het jaar 2007 een aanslag in de verontreinigingsheffing opgelegd. Naar volgt uit het bepaalde in artikel 18, derde lid, Wsw, geldt ook voor de ingezetenenomslag het vereiste dat de belastingplichtige het gebruik van een zelfstandige woonruimte moet hebben. Hieronder wordt in de Wsw het zelfde verstaan als in de Wvo (vergelijk HR 26 juni 1996, nr. 31 176, BNB 1996/288). Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat eiseres bij het begin van 2007 geen woonruimte in de zin van artikel 118, derde lid, aanhef en onderdeel b, Wsw in gebruik had. Mitsdien heeft verweerder haar ten onrechte in de heffing van de ingezetenenomslag voor 2007 betrokken. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en de aanslagen.
De uitspraak op rechtspraak.nl