Rb. 's-Gravenhage 5 augustus 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9690
AC / herhaalde aanvraag / Noord-Irak / artikel 15 c DRL / intern gewapend conflict Gegeven de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden bezien in samenhang met de zinsnede “individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict” in artikel 15, aanhef en onder c, Richtlijn, betreft deze bepaling, in verbinding met artikel 2, aanhef en onder e, Richtlijn, naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet een voor verzoeker relevante wijziging van recht. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in Noord-Irak ten tijde van het besluit van 16 juli 2008 sprake was van een binnenlands gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Richtlijn. De enkele verwijzing naar de meest recente algemene ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken en naar “diverse berichten in de media” acht de voorzieningenrechter in dat verband onvoldoende. In de ambtsberichten van 14 februari 2008 en 27 juni 2008 wordt melding gemaakt van een verslechterde veiligheidssituatie in het grensgebied van Noord-Irak en Turkije, maar daarmee is naar de oordeel van de voorzieningenrechter niet aangetoond dat sprake is van een internationaal gewapend conflict. De voorzieningenrechter is voorts uit het ambtsbericht van 14 februari 2008, noch uit het ambtsbericht van 27 juni 2008, gebleken van een binnenlands gewapend conflict. Niet is gebleken dat er in Noord-Irak sprake is van een situatie waarin een georganiseerde gewapende groep met een verantwoordelijk bevel in staat is op het grondgebied van een land of een gedeelte daarvan militaire operaties uit te voeren jegens de strijdkrachten van de autoriteiten van dat land. Opgemerkt kan worden dat in beide ambtsberichten wordt gesproken van een stabiele veiligheidssituatie in het grootste gedeelte van het KRG-gebied.
De uitspraak op rechtspraak.nl