Rb. 's-Gravenhage 31 juli 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9583
Wet WOZ: Bodemverontreiniging en bouwkundige gebreken. Herstel van objectafbakeningsfout. Toepassing art. 241 Gemeentewet (oud). Art. 8:73 Awb: Geen schadevergoeding voor onherroepelijk vaststaande vervolgingskosten en invorderingsrente. Geen vergoeding van immateriële schade. X heeft een eigen woning, bestaande uit een woon- en een werkgedeelte. De woning is gelegen op grond waarin al vóór de bouw van de woning in 2000 bodemverontreiniging is ontdekt . Na de oplevering van de woning is in 2004 een tweede bodemverontreiniging aan het licht gekomen. De woning vertoont bouwkundige gebreken, die geleidelijk manifest zijn geworden. Verweerder heeft bij de vaststelling van de WOZ-waarde voor het tijdvak 2001 tot en met 2004 geen rekening gehouden met de tweede verontreiniging en de bouwkundige gebreken. Bij de vaststelling van de WOZ-waarde voor 2005/2006 heeft hij voor de tweede verontreiniging een vermindering van 20% toegepast. X eist onder meer (verdere) vermindering van de voor tijdvakken 2001 tot en met 2004 en 2005/2006 vastgestelde WOZ-waarden in verband met de tweede verontreiniging en de bouwkundige gebreken en toekenning van een schadevergoeding voor de in rekening gebrachte vervolgingskosten en invorderingsrente alsmede voor immateriële schade in verband met de lange behandelingsduur. Voorts stelt hij dat verweerder te laat is met de vaststelling van de aanslagen voor de jaren 2001 tot en met 2003 Rechtbank 's-Gravenhage komt tot een waardevaststelling in goede justitie nadat zij heeft overwogen dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarden (voor 2005/2006: na vermindering) niet te hoog zijn vastgesteld en dat eiser evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem verdedigde waarden niet te laag zijn. De stelling dat de aanslagen voor de jaren 2001, 2002 en 2003 na afloop van de daarvoor geldende termijn zijn opgelegd, kan volgens de rechtbank op grond van art. 241 Gemeentewet (oud) in deze procedure niet aan de orde komen. Zou dit anders zijn, dan zou de rechtbank de stelling verwerpen omdat de aanslagoplegging binnen de termijn van art. 11, derde lid, AWR is geschied. De stelling faalt ook indien X ermee heeft bedoeld te betogen dat de aanslagen voor de jaren 2001, 2002 en 2003 moeten worden vernietigd, omdat verweerder voor die jaren al eerder aanslagen heeft opgelegd. Ter toelichting van dit ten overvloede gegeven oordeel merkt de rechtbank het volgende op. De vernietiging van de eerdere aanslagen voor de jaren 2001, 2002 en 2003 geschiedde in het kader van het herstel van een objectafbakeningsfout die erin bestond dat ten onrechte twee objecten (het woongedeelte en het werkgedeelte) zijn onderscheiden voor elk waarvan een beschikking is gegeven en aanslagen zijn opgelegd, terwijl van één groter object (de gehele woning) had moeten worden uitgegaan, waarvoor één beschikking had moeten worden gegeven en aanslagen hadden moeten worden opgelegd. Naar volgt uit HR 9 mei 2003, nr. 35 987, dient verweerder in een dergelijk geval de beschikkingen en de aanslagen te herroepen en voor het juist afgebakende object een nieuwe waardebeschikking te geven. Voorts kan hij binnen de termijn van artikel 11, derde lid, van de AWR ter zake van het juist afgebakende object nieuwe aanslagen opleggen. Bij het herstel van de objectafbakeningsfout is verweerder binnen de in het zo-even genoemde arrest getrokken grenzen gebleven. In aanvulling hierop merkt de rechtbank nog op dat de omstandigheid dat eisers bezwaren tegen de aanslagen 2001 tot en met 2003 in deze procedure niet aan de orde kunnen komen, niet betekent dat de door de rechtbank in goede justitie voor het waardetijdvak 2 001 tot en met 2004 vastgestelde waarde van de woning voor deze aanslagen zonder gevolgen blijft. Verweerder dient de aanslagen, evenals de aanslagen voor het jaar 2004, bij zijn uitspraak op de daartegen gerichte bezwaren of ambtshalve, te verminderen tot aanslagen, berekend naar de door de rechtbank in goed justitie vastgestelde waarde. Tegen de door de ontvanger of de belastingdeurwaarder in rekening gebrachte vervolgingskosten en de beschikking waarbij het bedrag van de invorderingsrente wordt vastgesteld, kan degene van wie de kosten worden gevorderd onderscheidenlijk op wiens naam de beschikking inzake de invorderingsrente is gesteld, een rechtsmiddel aanwenden bij de ontvanger. Nu niet gebleken is dat X van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, zijn de in rekening gebrachte vervolgingskosten en de beschikking inzake invorderingsrente onherroepelijk komen vast te staan. Dit rechtsgevolg kan niet worden ontkracht door toekenning van een schadevergoeding voor (een deel van) het bedrag van de in rekening gebrachte vervolgingskosten en invorderingsrente. Derhalve wijst de rechtbank het verzoek om een schadevergoeding in zoverre af. Ook voor zover het verzoek om schadevergoeding ertoe strekt dat eiser een vergoeding van immateriële schade wordt verleend, komt het niet voor inwilliging in aanmerking, reeds omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zodanige schade als gevolg van de lange behandelingsduur of enig (ander) handelen of nalaten van verweerder heeft geleden.
De uitspraak op rechtspraak.nl