Rb. 's-Gravenhage 15 juli 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8273
Pardonregeling / bezwaar / ontvankelijkheid / besluit / feitelijke handeling / ex-tunc toetsing De ambtshalve weigering van verweerder om eiser een aanbod te doen in het kader van de eenmalige regeling is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het enkele feit dat de minuut een schriftelijk stuk is, maakt nog niet dat dit als een besluit kan worden aangemerkt. De ambtshalve weigering van verweerder is niet aan te merken als een handeling die een recht, verplichting, bevoegdheid of status doet ontstaan, doet tenietgaan of wijzigt. Anders dan eiser stelt, strekt de ambtshalve weigering om geen aanbod te doen in het kader van de eenmalige regeling er niet toe om eiser niet vrij te stellen van legesheffing, het mvv-vereiste en het paspoortvereiste. Deze vereisten gelden in beginsel bij iedere aanvraag om een verblijfsvergunning regulier. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een onderliggende aanvraag. De vraag of al dan niet vrijstelling van de genoemde vereisten zou moeten worden verleend was dan ook niet aan de orde. Voorts volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat het rechtsgevolg van de weigering om hem een aanbod te doen is dat hij niet langer is beschermd tegen de maatregel ex artikel 59 van de Vw 2000. De verplichting van eiser Nederland te verlaten was reeds van rechtswege ingetreden als gevolg van de meeromvattende beschikking van 29 januari 2007. Dat er in het kader van de uitvoering van de eenmalige regeling is besloten tot tijdelijke opschorting van uitzettingshandelingen maakt dit niet anders. In het onderhavige geval is thans slechts sprake van voorzetting van deze activiteiten. Volgens de AbRS in haar uitspraak van 18 mei 2005 (JV 2005/259) staan tegen een dergelijke mededeling van feitelijke aard geen rechtsmiddelen open. De rechtbank is evenals de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, 27 maart 2008 (JV 2008/221), van oordeel dat de weigering om eiser een aanbod te doen in het kader van de eenmalige regeling van WBV 2007/11, is aan te merken als een feitelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000. Weliswaar verklaart verweerder in zijn brief van 20 mei 2008 dat hij bij een aanvraag in het kader van de eenmalige regeling in zijn afwijzende besluit ook inhoudelijk op de argumenten van de vreemdeling zal reageren. Dit standpunt van verweerder kan echter niet bij de beoordeling van dit geschil worden betrokken, dit een geheel andere regeling betreft. Anders dan verweerder stelt, is niet slechts sprake van een nuancering van verweerders eerdere standpunt. WBV 2007/11 vermeldt slechts dat het mvv-vereiste conform het staande beleid van toepassing is. Dat vrijstelling daarvan kan worden verleend indien aan de voorwaarden van de eenmalige regeling wordt voldaan, zij het in het kader van de hardheidsclausule of anderszins, is daarin niet opgenomen. In de mededeling van verweerder aan de Tweede Kamer wordt dit zelfs expliciet uitgesloten. Verweerder heeft derhalve eerst in de brief van 20 mei 2008 aangegeven dat hij zich in een afwijzende beslissing op een aanvraag inhoudelijk zal uitlaten over een gemotiveerd beroep op de eenmalige regeling. Ten tijde van het bestreden besluit was dit (nog) niet bekend gemaakt.
De uitspraak op rechtspraak.nl