Rb. 's-Gravenhage 21 februari 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8117

Bij besluit heeft verweerder beslist op de aanvraag van wijlen [A] en daarbij vastgesteld dat wijlen [A] in aanmerking komt voor huishoudelijke verzorging. Op grond van artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ, bestaat slechts aanspraak op zorg indien en gedurende de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen. Verweerder is uitsluitend bevoegd de doelmatigheid van zorgverlening te onderzoeken. Daarbij betrekt de rechtbank dat in de geldende regelgeving geen enkele verwijzing is terug te vinden terzake van het doen van een financiële afweging. De rechtbank overweegt voorts dat gesteld noch gebleken is dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende advies van het CVZ op onjuiste gronden berust dan wel onzorgvuldig tot stand gekomen is. De rechtbank tekent in dit verband nog aan dat het beroep, zoals in het beroepschrift is verwoord, zich niet keert tegen de in de indicatiestelling voorkomende leveringsvoorwaarden en de indicatie Langdurig verblijf (zeven etmalen per week) als zodanig. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen