Rb. 's-Gravenhage 20 juni 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5793

Richtlijn 2004/114 (studie) / weigeringsgronden Tussen partijen is in geschil of artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 (terugkeer na studie redelijkerwijs gewaarborgd) kan worden tegengeworpen op basis van het bepaalde in overweging 15 van de preambule bij de Richtlijn. In de artikelen 6 en 7 van de Richtlijn zijn de algemene en specifieke voorwaarden vermeld waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning voor studie. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder de aanvraag mede beoordeeld heeft aan de hand van de toelatingsvereisten en weigeringsgronden genoemd in de Richtlijn. Uit artikel 6, eerste lid onder d, van de Richtlijn, gelezen in samenhang met de veertiende overweging van de preambule, kan worden afgeleid dat bedreiging voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid aanleiding kunnen zijn de gevraagde verblijfstitel niet te verlenen. Hierbij wordt als weigeringsgrond niet genoemd het niet gewaarborgd zijn van het vertrek uit de lidstaat na beëindiging van de studie. Uit de brief van verweerder van 25 april 2008 leidt de rechtbank af dat verweerder geen andere weigeringsgrond aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dan het niet gewaarborgd zijn van vertrek van eiseres na beëindiging van de studie. Naar het oordeel van de rechtbank is het bepaalde in artikel 3.41 eerste lid, aanhef en onder c van het Vb 2000 niet te scharen onder de categorie “gunstiger bepalingen” genoemd in artikel 4, tweede lid, van de Richtlijn die de lidstaten kunnen invoeren of handhaven. Uit de context van het mogen handhaven of invoeren van gunstiger bepalingen door de lidstaten leidt de rechtbank af dat geen verdergaande toetsing dient plaats te vinden dan op basis van de bepalingen van de Richtlijn. Het extensief interpreteren van de weigeringsgronden onder verwijzing naar de vijftiende overweging van de preambule, verdraagt zich niet met de tekst van de artikelen 4, 6 en 7 van de Richtlijn. De vijftiende overweging van de preambule is niet geformuleerd als weigeringsgrond, maar is van procedurele aard. Indien er bij verweerder twijfel bestaat over de redenen van de aanvraag tot toelating kan verweerder op basis van deze overweging alle bewijzen verlangen die nodig zijn om aan te tonen dat de aanvraag coherent is. In de bezwaarfase zijn gegevens door verweerder verlangd en door eiseres overgelegd, die betrekking hebben op de inschrijving aan een onderwijsinstelling, de middelen en gezinssamenstelling van referente, Nederland als meest aangewezen land voor het volgen van de studie en de positieve bijdrage ervan aan de ontwikkeling van Kaapverdië. Geen bewijzen zijn door verweerder gevraagd inzake het vertrek uit Nederland na beëindiging van de studie. Gelet op de tekst van de zevende overweging van de preambule, waarin is gesteld dat migratie die plaats vindt met het oog op de in deze Richtlijn uiteengezette doeleinden en dus per definitie tijdelijk is, had het op de weg van verweerder gelegen te verlangen dat eiseres zich van het tijdelijk karakter van haar verblijf bewust zou zijn en de bereidheid uit te spreken na beëindiging van haar studie, terug te keren naar Kaapverdië. Naar het oordeel van de rechtbank laat de Richtlijn niet toe te concluderen dat uit eerdere aanvragen van eiseres gebleken is dat terugkeer niet is gewaarborgd zonder eiseres eerst in de gelegenheid te hebben gesteld aan te tonen dat de aanvraag wel coherent is. Met de aldus verkregen gegevens had verweerder de aanvraag kunnen toetsen aan de toelatings- en weigeringsgronden genoemd in de Richtlijn.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen