Rb. 's-Gravenhage 22 mei 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BD4777
Strijdigheid BPM met EG-Verdrag? Accessoireregeling. Eiseres heeft op 22 april 2005 een personenauto laten registreren in het krachtens de Wegenverkeerswet aangehouden register van opgegeven kentekens. Ter zake van deze registratie is BPM voldaan. De auto is ingevoerd vanuit Duitsland, alwaar hij voor het eerst in gebruik is genomen op 4 oktober 2004. De kilometerstand op 22 april 2005 bedroeg circa 14.500 km. De auto is voor een bedrag van € 4.085 voorzien van accessoires als bedoeld in het tot 1 januari 2005 gegolden hebbende artikel 9, negende lid, tweede volzin van de Wet op belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) en artikel 7 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de accessoireregeling). De BPM die op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet wordt geheven, wordt niet geheven wegens overschrijding van de Nederlandse grens. Blijkens de hoofdstukken I, II en III van de Wet gaat het hier om een heffing van fiscale aard, die gelijkelijk geldt voor alle motorrijtuigen die in het binnenland (moeten) worden geregistreerd, ongeacht hun oorsprong. Hierop gelet kan de onderhavige BPM-heffing naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een heffing van gelijke werking als een in- of uitvoerrecht in de zin van artikel 25 van het Verdrag, maar maakt zij deel uit van een algemeen stelsel van binnenlandse heffingen op goederen. Zij moet dus worden getoetst aan artikel 90 van het Verdrag en niet, zoals eiseres voorstaat, aan de artikelen 23 en volgende van het Verdrag. De heffing van BPM over de accessoires moet op grond van artikel 90 van het Verdrag achterwege blijven, omdat deze ook niet drukt op vergelijkbare auto's die in 2004 in Nederland voor het eerst in gebruik zijn genomen. Indien een vergelijkbare auto op 4 oktober 2004 in Nederland zou zijn geregistreerd, zou de ter zake van die registratie verschuldigde BPM - met toepassing van de (op 4 oktober 2004 nog geldende) accessoireregeling - zijn berekend naar een heffingsmaatstaf die € 4.085 lager is. De op 22 april 2005 nog op de auto rustende BPM is daardoor lager dan de BPM die eiseres volgens de nadere berekening van verweerder aan BPM is verschuldigd ter zake van de registratie van auto. Het verschil tussen beide bedragen niet is verschuldigd. De omstandigheid dat ingevolge artikel 9, zesde lid, van de Wet moet worden uitgegaan van de catalogusprijs ten tijde van de eerste ingebruikname van de auto op 4 oktober 2004, brengt niet mee dat op het tijdstip waarop de catalogusprijs moet worden vastgesteld, zijnde 22 april 2005, nog een beroep kan worden gedaan op de op dat moment reeds vervallen accessoireregeling. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl