Rb. 's-Gravenhage 29 mei 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BD3322
Dubbele nationaliteit / Turkse werknemer Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de vader van eiser, die in het bezit is van de Turkse nationaliteit, niet langer is te beschouwen als een Turkse werknemer in de zin van artikel 7 besluit nr. 1/80. Uit de tekst van besluit nr. 1/80 komt niet naar voren dat de rechten uit dat besluit verloren gaan bij verwerving van de nationaliteit van de lidstaat van verblijf. Daarnaast valt niet in te zien waarom in het geval van een dubbele nationaliteit aan het bezit van de Nederlandse nationaliteit meer gewicht zou moeten worden toegekend. Bovendien is niet duidelijk waarom het doel van besluit nr. 1/80 niet (langer) gediend zou zijn als een werknemer zowel de Turkse als de Nederlandse nationaliteit bezit. De rechtbank merkt hierbij op dat haar ambtshalve ook geen uitspraken van het Hof bekend zijn die daarop wijzen. Integendeel, uit de jurisprudentie van het Hof, zoals in zaak nos. C-148/02 (Garcia Avello) en C-152-/03 (Ritter-Coulais), kan worden afgeleid dat het idee van een dominante nationaliteit in het geval van een dubbele nationaliteit in het gemeenschapsrecht geen rol speelt. Voorts wordt verwezen naar het arrest Scholz (RV 1994, 88), waarin het handelde om een Duitse werkneemster die door haar huwelijk de Italiaanse nationaliteit verkreeg, maar daardoor niet de rechten verloor die ze ingevolge het vrije verkeer van werknemers had verkregen. Deze redenering kan analoog worden toegepast bij de interpretatie van art. 7 van besluit nr. 1/80. De verwerving van het Nederlanderschap doet niets toe of af aan de rechtmatigheid van het verblijf van het betrokken gezinslid in Nederland op grond van art. 7 van besluit nr. 1/80.
De uitspraak op rechtspraak.nl