Rb. 's-Gravenhage 21 mei 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BD3053
Vreemdelingenbewaring / vervolgberoep / art. 1:3, lid 3 Awb / art. 3.101 Vb / art. 59 lid 4 Vw / redelijke termijn / onrechtmatig Naar het oordeel van de rechtbank dient de op 15 februari 2008 door verweerder ontvangen brief , gelet op het doel en de strekking daarvan alsmede het daarbij kennelijk meegezonden formulier, te worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid van de Awb. Onweersproken is, en ook de rechtbank gaat ervan uit, dat de betreffende aanvraag niet op de plaats als bedoeld in artikel 3.101 van het Vreemdelingenbesluit is ingediend. Niet gebleken is dat verweerder eiseres zo spoedig mogelijk in staat is gesteld het gebrek (de indiening op de onjuiste plaats) te herstellen. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat, zo al moet worden gezegd dat artikel 59, vierde lid van de Vw niet rechtstreeks van toepassing moet worden geacht, in ieder geval moet worden geoordeeld dat in de onderhavige situatie het daarin verankerde norm met betrekking tot een spoedige afhandeling van de aanvraag binnen een redelijke, in evengenoemde bepaling vermelde, termijn is geschonden. Van verweerder kan verlangd worden zo spoedig mogelijk duidelijkheid te verschaffen omtrent de verblijfsrechtelijke situatie van de betrokkene. Nu dit in casu niet het geval is geweest, kan de bewaring naar het oordeel van de rechtbank niet langer rechtmatig worden geacht met ingang van 14 maart 2008, zijnde de datum volgend op de laatste dag van de termijn van vier weken na ontvangst van de aanvraag (15 februari 2008). Beroep gegrond, schadevergoeding toegewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl