Rb. 's-Gravenhage 15 mei 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BD2704

Grondwaterbelasting. Vergrijpboete. Eiseres is houder van een inrichting die grondwater onttrekt aan de bodem. Zij heeft de over die onttrekkingen verschuldigde grondwaterbelasting niet aangegeven en/of betaald. Ter zake daarvan zijn een naheffingsaanslag en een vergrijpboete opgelegd betreffende het tijdvak 1999 - 2004. Voor zover de vergrijpboete betrekking heeft op de in 1999 ontstane belastingschuld geldt dat ten tijde van het opleggen van de boete door verloop van vijf jaren de wettelijke bevoegdheid deze op te leggen reeds was vervallen. Daaraan doet niet af dat eiseres eenzijdig afstand heeft gedaan van haar recht om zich te beroepen op het verstrijken van de wettelijke termijn waarbinnen de in geschil zijnde vergrijpboete kan worden opgelegd. Aan zo’n verklaring kan verweerder niet de bevoegdheid ontlenen om in strijd met de wet strafvervolging in te stellen. Nu het opleggen van een vergrijpboete met het instellen van strafvervolging gelijk wordt gesteld, bewerkstelligt de eenzijdige verklaring van eiseres evenmin dat verweerder aan eiseres na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn een vergrijpboete kan opleggen. Voor de jaren 2000 – 2004 geldt dat eiseres op de hoogte had behoren te zijn van het feit dat zij voor één van haar vestigingen belastingplichtig was voor de grondwaterbelasting. Er is geen sprake van een verontschuldigbare rechtsdwaling. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat het niet (tijdig) betalen van de grondwaterbelasting te wijten is aan de voorwaardelijke opzet van eiseres, zodat de boete over het tijdvak januari 2000 – juni 2004 terecht is opgelegd. Wel ziet de rechtbank in de ernst van het beboetbare feit en in de overschrijding van de redelijke termijn redenen om de vergrijpboete verder te matigen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen