Rb. 's-Gravenhage 20 mei 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BD2166
08/16340 Samenvatting Uit de in het dossier opgenomen aanwijzing van de Staatssecretaris van Justitie van 6 mei 2008 blijkt dat ten aanzien van personen van wie is vastgesteld dat zij zich eerder aan het vreemdelingentoezicht hebben onttrokken, het bestaan van een bewaringsgrond in beginsel zal worden aangenomen. Dit geldt eveneens voor vreemdelingen bij wie sprake is van antecedenten in het kader van de openbare orde. In die gevallen is niet van belang of de asielaanvraag reeds is afgewezen en kan inbewaringstelling zo spoedig mogelijk plaatsvinden. In het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding als bedoeld in artikel 50 Vw 2000 is een nadere uitwerking van deze aanwijzing gegeven. Hieruit blijkt dat het redelijk vermoeden van illegaal verblijf is gebaseerd op een overleg waarin is bepaald dat op 7 mei 2008 een actie zou worden gehouden op de Tijdelijke Noodvoorziening te Eindhoven, teneinde een vooraf bepaald aantal personen staande te houden waarvan het bekend was dat de betreffende vreemdeling behoort tot de doelgroep van Chinezen die zich kort voor 1 april 2008 en masse in Ter Apel hebben gemeld. Daarnaast was ambtshalve bekend dat uit de systemen is gebleken dat deze vreemdeling eerder met de politie in aanraking is gekomen en antecedenten heeft/ zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken. Door de IND was voorafgaande aan deze actiedag aan de vreemdelingenpolitie Brabant Zuid Oost een Excelbestand aangeleverd met daarin opgenomen een lijst van namen en de daarbij behorende V-nummers van mannen en vrouwen uit deze doelgroep. Aan de hand van deze gegevens van de dienst Nationale Recherche Informatie (dNRI) was gebleken dat er van deze personen een dactyloscopisch signalement was opgenomen in de bestanden van de dNRI. Deze dacty waren eerder afgenomen in het kader van een door betrokkene gepleegd misdrijf (MD), dan wel in het kader van het toezicht op vreemdelingen (TZ). Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat zich eind maart 2008 770 Chinezen hebben gemeld bij het aanmeldcentrum in Ter Apel, met het kennelijke doel een asielaanvraag in te dienen. Aan hen is een meldplicht opgelegd. Verweerder heeft ten aanzien van alle 770 personen dactyloscopisch onderzoek verricht. Uit het resultaat van dit onderzoek, dat op 2 mei 2008 bekend is geworden, is gebleken dat er 18 personen waren die zich eerder in Nederland bij de vreemdelingendienst hebben gemeld onder een andere naam en met een geldig paspoort. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de 18 personen, waaronder eiser, aldus voldeden aan de voorwaarden van de aanwijzing van de Staatssecretaris. De omstandigheid dat vorenstaande informatie niet is opgenomen in het dossier, doet naar het oordeel van de rechtbank aan het vorenstaande niet af, nu uit eerdergenoemd op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding blijkt dat staandehouding heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een Excelbestand met daarin alle relevante gegevens. Voorts heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 22 januari 2008, geregistreerd onder nummer 200708267/1, aanleiding gezien bij om bij de vraag of er sprake is vrees is voor onttrekking aan uitzetting de inhoud van het dossier te betrekken, op grond waarvan verweerder de grond dat eiser niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000 terecht in de maatregel van bewaring heeft kunnen opnemen,. Tevens is bij de belangenafweging betrokken dat eiser zich niet heeft gehouden aan de aanzegging Nederland te verlaten en dat hij eerder een andere naam heeft opgegeven. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld ter zake de inmiddels door eiser ingediende asielaanvraag en dat er sprake van zicht op uitzetting naar China.
De uitspraak op rechtspraak.nl