Rb. 's-Gravenhage 29 april 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BD2032
Middelenvereiste voortgezet verblijf / art. 18 lid 1 sub d Vw 2000 / art. 3.73 sub d Vb 2000 / art. 8 EVRM Vaststaat dat niet in geschil is dat referent ten tijde van de beslissing op bezwaar niet beschikte over duurzame middelen van bestaan, omdat hij op dat moment nog niet ten minste anderhalf jaar inkomsten uit arbeid als zelfstandige had, als bedoeld in artikel 3.20 van het VV 2000. Op grond van het voorgaande heeft verweerder de bevoegdheid de aanvraag af te wijzen. Als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan worden afgewezen, wordt bezien of de gevolgen voor de vreemdeling niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen. Verweerder geeft hiermee toepassing aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Verweerder heeft omtrent die afweging van belangen algemene regels gesteld en neergelegd in paragraaf B2/9.5.2. van de Vc 2000: “Als de zelfstandig verworven inkomsten voldoende zijn en gedurende het jaar direct voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend steeds voldoende zijn geweest, dan wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet afgewezen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, Vw op de enkele grond dat deze inkomsten niet duurzaam zijn. Het economisch welzijn van Nederland kan in dat geval de inmenging in het familie- of gezinsleven, bedoeld in artikel 8 EVRM, niet rechtvaardigen, aangezien de hoofdpersoon nog altijd beschikt over voldoende bestaansmiddelen.” De rechtbank is van oordeel dat verweerder het voornoemde beleid juist heeft toegepast. Verweerder heeft, als het gaat om het begrip spaargeld, dat moet worden geschaard onder vermogen, terecht aansluiting gezocht bij artikel 3.73 aanhef en onder d, van het Vb 2000. Verweerder is gebonden aan deze definiëring van vermogen als zelfstandig middel van bestaan, aangezien het hier om een wettelijk voorschrift gaat. Verweerder komt in zoverre dan ook geen beleidsruimte toe. Voor zover eiseres meent dat spaargeld als zelfstandige bron van inkomsten moet worden gezien is dit standpunt onjuist.
De uitspraak op rechtspraak.nl