Rb. 's-Gravenhage 18 april 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BD0949

Ongewenstverklaring / echtgenoot van Unieburger / personele werkingssfeer / Schengen Informatie Systeem / effectieve werking / richtlijnconforme uitleg nationale bepaling Beroep tegen ongewenstverklaring. Eiser is van Nigeriaanse nationaliteit en heeft een verblijfsrecht in Engeland. Dat vloeit voort uit zijn huwelijk met een Belgische die in Engeland woont en werkt. Verweerder stelt dat eiser niet valt onder artikel 8.7 van het Vb 2000 en onder de Richtlijn 2004/38/EG, omdat hij en zijn echtgenote in Engeland wonen. De rechtbank verwerpt dit standpunt. Deze uitleg van artikel 8.7 van het Vb 2000 brengt met zich dat een Unieburger en zijn derdelandse echtgenoot die zich naar andere lidstaat dan Nederland hebben begeven ongewenst zouden kunnen worden verklaard zonder toepassing van het restrictieve EG-rechtelijke openbare orde begrip. Dit strookt niet met artikel 3 van de Richtlijn noch met de ruime interpretatie van het Hof van Justitie (HvJ) van de bepalingen inzake de personele werkingssfeer van het EG-recht, voor zover het de exceptie van de openbare orde betreft. Verder is van belang dat ongewenstverklaring leidt tot opneming in het Schengen Informatie Systeem. Dit heeft tot gevolg dat indien eiser en zijn echtgenote zich naar een ander Schengenland dan Nederland begeven, eiser de toegang zal worden geweigerd. Volgens verweerder dient eiser op dat moment de procedure tot verwijdering van de signalering te starten. Indien eiser en zijn echtgenote naar Nederland reizen zal eiser eveneens de toegang worden geweigerd, en wel op grond van artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000. Hij zal dan om opheffing van de ongewenst-verklaring moeten vragen. In beide procedures zal vervolgens worden onderzocht of eiser een gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in artikel 27 van de Richtlijn. Hangende deze procedures zal eiser de toegang geweigerd blijven. De rechtbank acht dit in strijd met beginsel van effectieve werking van het EG-recht. Ten slotte acht de rechtbank het standpunt van verweerder in strijd met jurisprudentie van het HvJ, met name de uitspraak in zaak Commissie tegen Spanje van 31 januari 2006 (JV 2006, 123). Daaruit volgt dat een lidstaat pas tot signalering van een onderdaan van een derde staat die is gehuwd met een onderdaan van een lidstaat mag overgaan, nadat die staat heeft vastgesteld dat de aanwezigheid van deze persoon een bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verweerder had derhalve bij de ongewenstverklaring dienen te onderzoeken of aan het EG-rechtelijke openbare ordecriterium is voldaan. Deze toets mag niet worden uitgesteld tot eiser zich naar een buitengrens van de Schengenruimte begeeft. In bestreden besluit is ten overvloede getoetst aan openbare ordecriterium van artikel 8.8 van het Vb 2000 en artikel 27 van de Richtlijn. Het besluit is ook in zoverre ondeugdelijk gemotiveerd. Er is geen juiste toepassing gegeven aan jurisprudentie HvJ. Daaruit volgt dat bestaan veroordelingen slechts relevant is, voor zover uit omstandigheden die daartoe geleid hebben blijkt dat sprake is van persoonlijk gedrag dat een actuele bedreiging van de openbare orde vormt. Het enkele feit dat eiser nog gedetineerd was ten tijde van het bestreden besluit is daartoe onvoldoende. Het gedrag van eiser tijdens detentie had in beoordeling moeten worden betrokken. Ten slotte is verweerder onvoldoende gemotiveerd ingegaan op stelling dat gevaar op recidive laag is. Beroep gegrond. Geconstateerde strijd met gemeenschapsrecht strekt zich ook uit tot besluit in primo. Geen andere conclusie mogelijk dan dat dit besluit niet in stand kan blijven. Zelf in zaak voorziende, wordt het bezwaar gegrond verklaard en het besluit in primo herroepen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen