Rb. 's-Gravenhage 15 april 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BC9963

Verblijf als pleegkind / B3.3 Vc 2000 / inherente afwijkingsbevoegdheid Niet in geschil is dat de drie kinderen van Amerikaanse nationaliteit verblijf beogen bij hun grootmoeder van zowel Amerikaanse als Nederlandse nationaliteit (referente). Eisers hebben aanvragen ingediend om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "verblijf als pleegkind". Richtlijn 2003/86 is niet van toepassing op referente en eisers, zodat zij daaraan geen rechten kunnen ontlenen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvragen heeft kunnen toetsen aan het pleegkinderenbeleid zoals neergelegd in hoofdstuk B3/3 van de Vc. Uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen en uit de door eisers overgelegde stukken is gebleken is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. Verweerder kan worden nagegeven dat onvoldoende sprake is van onderbouwing met schriftelijke (bewijs)stukken van de stelling dat er voor eisers geen aanvaardbare toekomst in hun land van herkomst is weggegelegd, nu eisers op geen enkele wijze door middel van objectief verifieerbare bescheiden hebben onderbouwd dat zij niet of bezwaarlijk kunnen worden verzorgd door hun moeder of andere bloed- of aanverwanten in hun land van herkomst, zoals neergelegd in paragraaf B3/3.3.2 van de Vc. Echter, gelet op de uitvoerige levensgeschiedenis van referente, en de overgelegde stukken, is de rechtbank van oordeel dat dit tezamen en in onderling verband bezien voor verweerder aanleiding had moeten zijn om nader te motiveren waarom in dit specifieke geval voormelde toepassing van artikel 4:84 van de Awb geen plaats was. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen