Rb. 's-Gravenhage 12 maart 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8341

Identiteitsbewijs voor staatlozen / legesvrije aanvraag voor buiten schuld vergunning of vergunning conform beschikking minister / rechtsmiddelen tegen legesbesluit Hoe verkrijgt men een identiteitsbewijs voor staatlozen en een buiten-schuld-vergunning (of op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb 2000) zonder leges te betalen? Vertrouwensbeginsel in verband met eerdere uitspraak. Proceskostenveroordeling in bezwaar. Eiser stelt staatloos te zijn. Hij heeft geen asielprocedure doorlopen. Hij heeft verweerder verzocht ambtshalve een besluit te nemen en verzocht om een verklaring, dat hij vrijgesteld wordt van legesheffing bij deze reguliere aanvraag. Deze verklaring houdt in dat de vreemdeling in aanmerking komt voor verlening van een buiten-schuld-vergunning of een vergunning conform beschikking minister. Verweerder is bevoegd om deze vergunning ambtshalve te verlenen ook zonder voorafgaande asielaanvraag. De toevoeging ‘ambtshalve’ is zonder betekenis. Nu het een schriftelijk verzoek is van een belanghebbende aan een bestuursorgaan om een besluit te nemen, is het een aanvraag. Verweerder was verplicht om op de aanvraag te beslissen. Daarom is niet meer van belang of verweerder de vergunning ambtshalve moest verlenen. De vraag of verweerder had moeten afwijken van het beleid om alleen na een asielaanvraag dat te doen, is dus ook niet meer relevant. Eiser mocht er niet op vertrouwen dat hij een legesvrije aanvraag kon doen voor deze vergunning. Verweerder heeft niet berust in de uitspraak waarop eiser dat baseert (LJN AQ1965). Deze uitspraak is in hoger beroep geheel vernietigd. Omdat eiser geen verklaring had die hem vrijstelde van legesheffing en hij de leges niet had betaald, moest verweerder de aanvraag buiten behandeling stellen. Daarbij is niet van belang dat nog in geschil was of die verklaring moest worden afgegeven. Legesheffing op grond van de Vw 2000 is een besluit. Zij schept een publiekrechtelijke betalingsverplichting. Die is niet rechtstreeks een gevolg van de aanvraag, omdat er een vrijstellingsmogelijkheid is waarover beslist moet worden. Tegen dit legesbesluit staat bezwaar open en vervolgens beroep bij de vreemdelingenrechter. De beslissing om een verklaring op grond van artikel 3.34b VV 2000 af te geven is een beslissing ter voorbereiding van een legesbesluit. De verklaring heeft los van de legesheffing geen betekenis, omdat de verplichting tot buitenbehandelingstelling afhangt van niet-betaling van geheven leges, niet van de vraag of de verklaring is verleend. Daarom kan alleen worden opgekomen tegen de weigering van de verklaring in een bezwaar en beroep tegen het legesbesluit. De rechtbank komt hier tot een ander oordeel dan in de uitspraak van 20 april 2007 (LJN BA6228), waar zo een beslissing is aangemerkt als een besluit waartegen wel rechtsmiddelen openstaan. Dus als de verklaring is geweigerd, en de vreemdeling meent dat dit onjuist is, dan zal hij een verblijfsaanvraag moeten doen. Als dan leges wordt geheven, dan zal hij daartegen bezwaar en beroep kunnen instellen, stellende dat de verklaring hem niet onthouden mocht worden. Hij zal dit mogelijk kunnen staven met het feit dat inmiddels de gevraagde vergunning is verleend. Hij zal intussen wel de leges moeten betalen om te voorkomen dat zijn aanvraag buiten behandeling wordt gesteld. Bij een gegrond bezwaar of beroep tegen het legesbesluit zullen de betaalde leges mogelijk moeten worden terugbetaald. Verweerder had dus eiser in zijn bezwaar tegen de weigering van de verklaring niet-ontvankelijk moeten verklaren op grond van artikel 6:3 Awb omdat geen rechtsmiddel tegen de legesheffing was ingediend. Eiser heeft op grond van het verdrag over staatlozen verzocht om een identiteitsbewijs. Verweerder heeft geweigerd een W2-document te verlenen. Dit document is geen identiteitsbewijs als bedoeld in dit verdrag. Verweerder was onbevoegd om op het verzoek te beslissen. In de Paspoortwet is de verlening van een reisdocument voor staatlozen geregeld. Daar is ook bepaald wie daarover moet beslissen. Verweerder had het verzoek moeten doorzenden aan de bevoegde instantie. De weigering in primo om het document af te geven had moeten worden herroepen. Daarom is het primaire besluit onrechtmatig en had verweerder in de bestreden beslissing proceskosten voor de bezwaarschriftprocedure moeten toekennen. Beroep gedeeltelijk gegrond, rechtbank doet in zoverre zelf af.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen