Rb. 's-Gravenhage 21 maart 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BC7504

Toewijzing voorlopige voorziening / artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn / prejudiciële vragen / Noord-Irak / intern gewapend conflict Verzoeker, afkomstig uit Noord-Irak, heeft zich beroepen op artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (verder: Richtlijn). De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat aan artikel 15, aanhef en onder c, Richtlijn rechtstreekse werking toekomt. De voorzieningenrechter acht, mede gelet op de uitspraak van de ABRS van 12 oktober 2007, waarbij prejudiciële vragen zijn gesteld aan het HvJEG over de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, Richtlijn, het beroep van verzoeker op artikel 15, aanhef en onder c, Richtlijn niet kansloos. Voorts laat de voorzieningenrechter daarbij wegen dat ter zitting namens verweerder -in reactie op de stelling van verzoeker dat er sprake is van een intern gewapend conflict- is gesteld dat verweerder nog geen standpunt heeft ingenomen waar het betreft de vraag of er sprake is van een intern en gewapend conflict in Noord-Irak. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in de belangenafweging het belang van verzoeker bij de afwachting hier te lande van de beslissing op zijn beroep dient te prevaleren, gelet op het feit dat de dreigende uitzetting tot mogelijk onomkeerbare gevolgen kan leiden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen