Rb. 's-Gravenhage 22 februari 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BC7499
Arbeid als zelfstandige / onvoldoende middelen van bestaan / inherente afwijkingsbevoegdheid / studiekosten als bedrijfskosten Verweerder heeft de aanvraag van eiseres tot verlenging van de aan haar verleende verblijfsvergunning onder de beperking “arbeid als zelfstandige” afgewezen, omdat haar middelen van bestaan onvoldoende zijn. De rechtbank volgt eiseres in haar betoog dat de IND aanleiding had moeten zien om gebruik te maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht, nu sprake is van bijzondere omstandigheden die niet reeds in verweerders beleid zijn verdisconteerd. Tussen partijen staat vast dat eiseres in ieder geval vanaf september 2000 vrijwel onafgebroken legaal verblijf in Nederland heeft gehad, eerst voor arbeid in loondienst als danser en vervolgens als zelfstandig danser, docent en choreograaf tot 22 december 2006. Niet in geschil is dat eiseres over 2004 en 2006 over voldoende middelen van bestaan heeft beschikt en dat zij over 2007 (volgens prognoses) ook over voldoende inkomsten zal hebben beschikt. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat de door haar gevolgde opleiding ‘Voortgezette Opleiding Choreografie’, die zij heeft afgerond op 25 augustus 2006, heeft te gelden als een investering, die thans reeds haar vruchten afwerpt in de vorm van een docentschap aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten en dat zij over het seizoen 2006-2007 voldoende opdrachten in portefeuille heeft gehad. Dit is door verweerder niet weersproken. Voorts beschikt eiseres duurzaam over middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige als bedoeld in artikel 3.20, eerste lid, van het VV 2000. Tussen partijen is bovendien niet in geschil dat met de aanwezigheid van eiseres een wezenlijk Nederlands cultureel belang is gemoeid. De omstandigheid dat de door eiseres over 2005 gemaakte studiekosten als bedrijfskosten zijn aangemerkt, waardoor haar netto inkomen onder de geldende norm is uitgekomen, heeft voor eiseres tot gevolg dat zij haar werkzaamheden hier te lande niet zou kunnen voortzetten. Gelet op al het vorenstaande acht de rechtbank dit gevolg onevenredig in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De beleidsregel strekt er immers toe dat wordt voorkomen dat hier te lande verblijvende vreemdelingen een beroep (moeten) doen op de openbare kas. Gesteld noch gebleken is dat hiervan sprake is geweest. De rechtbank verklaart het beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl