Rb. 's-Gravenhage 4 maart 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BC6982

Onrechtmatige overheidsdaad / schadevergoeding / relativiteitsvereiste / schending formele norm Op 16 november 2001 is de echtgenoot van eiseres in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel. Eiseres heeft verzocht om afgifte van een mvv om een aanvraag voor een afgeleide verblijfsgunning asiel in te kunnen dienen. Op 29 augustus 2002 is eiseres Nederland ingereisd met een geldige mvv. Bij besluit van 1 juni 2004 is de aanvraag van 23 oktober 2002 van eiseres voor een afgeleide verblijfsvergunning asiel, ingewilligd. Niet in geschil is dat, indien de beschikkingen op tijd waren genomen, deze ook inwilligend waren geweest. Omdat verweerder niet binnen zes maanden heeft beslist op de aanvraag verzoekt eiseres om vergoeding van materiële schade die is ontstaan door toerekenbaar onrechtmatig handelen van de zijde van verweerder. Volgens verweerder kan geen toekenning van schadevergoeding plaatsvinden omdat de geschonden norm er niet toe strekt de vermogensrechtelijke positie van eiseres te beschermen (niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste, aldus verweerder). De rechtbank overweegt: Artikel 42 van de Vw 2000 strekt volgens de bedoeling van de wetgever(ook)tot bescherming van de materiële belangen van asielaanvragers in verband met schade geleden door een te late beslissing. Verweerders standpunt dat niet voldaan is aan het relativiteitsvereiste houdt geen stand. Het arrest van 13 april 2007 van de Hoge Raad kan daar niet aan afdoen omdat de geschonden norm in die casus een materiële norm was. Dat is niet vergelijkbaar met de onderhavige casus waarin sprake is van schending van een formele norm. Bovendien is de formele norm niet voor tweeërlei uitleg vatbaar en is vooraf, in het land van herkomst, reeds getoetst en vastgesteld dat eiseres in aanmerking kwam voor de beoogde vergunning.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen