Rb. 's-Gravenhage 28 februari 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BC5355
Verdachte verdacht van medeplegen dubbele moord (de zogenoemde Metselmoorden). Een daadwerkelijke betrokkenheid van verdachte bij de uitvoering van het misdrijf kan niet worden bewezen. Niettemin kan verdachte als medepleger worden aangemerkt als sprake zou zijn van een bewuste en nauwe samenwerking gericht op de dood van de slachtoffers. Verdachte kan als medepleger worden aangemerkt, ook als hij niet bij de uitvoering aanwezig is geweest, als sprake is geweest van een zo nauwe samenwerking, die op niets anders dan op de dood van de slachtoffers gericht kon zijn. Er is onvoldoende bewijs voor een vooropgezet plan om de slachtoffers van het leven te beroven. Een bewuste en nauwe samenwerking in het kader van een dergelijk plan kan dan ook niet worden aangenomen. Er is ook overigens op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting geen moment aan te wijzen voor of tijdens het plaatsvinden van de gebeurtenissen die hebben geleid tot de dood van de slachtoffers, waarvan kan worden gezegd, dat verdachte toen in nauwe en bewuste samenwerking met zijn vader en zijn broer aan die levensberoving heeft meegewerkt. Er zijn aanwijzingen van betrokkenheid van verdachte bij de meedogenloze en volstrekt respectloze wijze waarop met de lichamen van de slachtoffers is omgegaan: het inpakken, het wegbrengen en inmetselen van de lichamen van de slachtoffers en het wegmaken van sporen. De officier heeft evenwel aan verdachte niet de overtreding van artikel 151 Sr (onttrekking van een lijk aan nasporing) en/of artikel 189 Sr (begunstiging) ten laste gelegd. Vrijspraak.
De uitspraak op rechtspraak.nl