Rb. 's-Gravenhage 21 februari 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BC5104

Onrechtmatige overheidsdaad / schadevergoeding / onrechtmatige uitzetting / relativiteitsvereiste / beoordeling schadeposten Voor de beantwoording van de vraag of verweerder gehouden is tot schadevergoeding in verband met onrechtmatige besluitvorming dient, aangezien de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen materiële criteria geeft ter bepaling van de schade, aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht en de jurisprudentie van de burgerlijke rechter over de gevolgen van, met name, door de bestuursrechter vernietigde overheidsbeslissingen. Daaruit komen onder meer de volgende criteria naar voren: - er moet sprake zijn van een daad van de overheid;<br< - deze moet onrechtmatig zijn, dat wil zeggen in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsnorm; - de daad moet aan de overheid zijn toe te rekenen; - de geschonden norm moet er toe strekken het belang van de benadeelde te beschermen (relativiteitsvereiste); - er moet schade zijn; - en er moet voldoende causaal verband bestaan tussen de schade veroorzakende gebeurtenis en de geleden schade. Nu deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, bij uitspraak van 29 september 2003 (AWB 03/28835) het beroep van eiser gegrond heeft verklaard en het besluit van 22 april 2003 heeft vernietigd staat daarmee de onrechtmatigheid van dat besluit en de toerekening ervan aan het bestuursorgaan vast (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 1992, AB 1992, 290 (Van Gog/Nederweert)). Hiermee staat derhalve ook vast dat de uitzetting van eiser naar Turkije onrechtmatig was. Verweerder heeft in dit verband nog betoogd dat van onrechtmatigheid van de uitzetting geen sprake kan zijn nu ten tijde van de uitzetting de beslissing op bezwaar reeds was genomen en het verzoek om voorlopige voorzieningen was afgewezen. Volgens verweerder kan de naderhand gewezen uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, er niet toe leiden dat de aanvankelijk rechtmatige uitzetting achteraf alsnog onrechtmatig wordt. Dit standpunt van verweerder is niet juist. Weliswaar is juist dat de uitzetting destijds rechtmatig heeft plaatsgevonden gezien de beslissing op bezwaar en de afwijzing van het verzoek om voorlopige voorzieningen. Nu het besluit van 22 april 2003 vervolgens is vernietigd geldt evenwel dat gezien de terugwerkende kracht van een dergelijke vernietiging de uitzetting achteraf onrechtmatig is geweest. Dat het verzoek om voorlopige voorzieningen is afgewezen doet daaraan niet af. De beslissing op een verzoek om voorlopige voorzieningen betreft immers slechts een voorlopig oordeel dat de rechter in de bodemzaak niet bindt. Een uitzetting op basis van een niet-onherroepelijk besluit geschiedt voor risico van verweerder. Ook aan het relativiteitsvereiste is naar het oordeel van de rechtbank voldaan, nu de bescherming tegen verwijdering naar het land waar een vreemdeling vervolging vreest, fundamenteel onderdeel uitmaakt van de (inter)nationale vluchtelingrechtelijke regelgeving. De geschonden norm – bescherming tegen uitzetting - strekt er immers toe een vreemdeling niet bloot te stellen aan vervolging in het land van herkomst. Vervolgens dient beoordeeld te worden of de door eiser opgevoerde schadeposten aannemelijk zijn gemaakt, en of deze schadeposten een rechtstreeks gevolg zijn van de onrechtmatige uitzetting en daaraan in redelijkheid kunnen worden toegerekend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen