Rb. 's-Gravenhage 8 februari 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BC5098
Artikelen 6 en 13 van het Associatiebesluit 1/80 / intrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht / legale arbeid De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat gelet op het feit dat eiser de Turkse nationaliteit bezit en hier te lande heeft gewerkt dient te worden bezien of hij werknemer is in de zin van artikel 6 van het Besluit 1/80. Afhankelijk van beantwoording van die (prealabele) vraag kan worden bepaald of het nationale beleid juist is toegepast. Tussen partijen is niet in geschil dat aan eiser met ingang van 18 september 2002 een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf bij S. Veenstra’ is verleend, welke geldig was tot 18 september 2003. Eiser heeft op 1 augustus 2003 een aanvraag om wijziging van de beperking in ‘arbeid in loondienst’ ingediend. Die aanvraag om wijziging van de beperking dient te worden aangemerkt als een aanvraag om eerste toelating. Daartoe overweegt de rechtbank, op grond van de feiten als hierna onder rechtsoverweging 2.18 te vermelden, dat de relatie krachtens welke het eiser was toegestaan hier te lande te verblijven na vier maanden is verbroken. Gelet op het vorenstaande kan eisers’ stelling dat hij tot aan het (primaire) besluit van 13 september 2005 aanspraak kan maken op de bescherming van artikel 6, eerste gedachtestreepje, respectievelijk artikel 13, van het Besluit 1/80 geen doel treffen. In dat verband overweegt de rechtbank nog dat geen sprake is van een stabiele en niet voorlopige positie op de arbeidsmarkt, nu ten aanzien van eiser deze positie op de arbeidsmarkt zich slechts vier maanden heeft voorgedaan, te weten van 18 september 2002 tot 24 januari 2003. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl