Rb. 's-Gravenhage 20 december 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BC9242
X lijdt aan een spierziekte waardoor zijn loopvermogen gestaag achteruit gaat. Hij heeft in 2004 een aanbouw en een oprit naar zijn huis laten aanbrengen om zijn scootmobiel te stallen. Met de aanpassing is een bedrag van € 11.152 gemoeid. X heeft 165% van dat bedrag aan buitengewone uitgaven bij zijn aangifte in aanmerking genomen. Verweerder weigert de aftrek omdat de aanbouw niet is aan te merken als een hulpmiddel in de zin van artikel 6.17, eerste lid, onder a en tweede lid van de Wet IB 2001. De scootmobiel is wel aan te merken als een hulpmiddel, maar het functionele verband met de stalling is te zwak om als hulpmiddel te beschouwen. De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op de tekst van artikel 20a, aanhef en onderdeel a, van het Besluit en de in de toelichting daarop gegeven voorbeelden, behoort de aanpassing van eisers woning naar het oordeel van de rechtbank tot de andere hulpmiddelen, als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onder a, van de Wet. De rechtbank verwerpt verweerders beroep op HR 22 april 1998, nr. 32 876, BNB 1998/197, omdat de voor 2004 toepasselijke regelgeving een nieuw beoordelingscriterium bevat. Nu de aanpassingen niet mogen leiden tot een waardevermeerdering van de woning die uitgaat boven tien procent van de op de belastingplichtige drukkende aanpassingskosten en partijen daarover nog geen standpunt hebben ingenomen wijst de rechtbank de zaak terug naar verweerder om opnieuw uitspraak op bezwaar te doen.
De uitspraak op rechtspraak.nl