Rb. 's-Gravenhage 17 december 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BC5117

Vertrouwensbeginsel / rechtmatig verblijf Met betrekking tot het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. In zijn verweerschrift en ter zitting heeft verweerder betoogd dat de afgifte van het verblijfsdocument aan eiseres niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel, aangezien aan de afgifte van dit verblijfsdocument geen beslissing ten grondslag heeft gelegen en eiseres hieromtrent nimmer een beschikking heeft ontvangen. De rechtbank volgt verweerder hierin niet en acht hierbij het volgende van belang. Bij beschikking van 17 januari 2006 is aan eiseres een verblijfsvergunning verleend, geldig van 19 november 2002 tot 26 april 2005. Op 13 februari 2006 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen voornoemde beschikking. Op 11 juli 2006 heeft er naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiseres een hoorzitting plaatsgevonden. Een week later, op 18 juli 2006, is aan eiseres een verblijfsdocument onder een beperking verband houdend met mensenhandel verleend, met een geldigheidsduur tot 19 november 2007. Eerst op 26 april 2007, ruim negen maanden na de verstrekking van het verblijfsdocument aan eiseres, heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard. Vervolgens heeft verweerder aan eiseres op 13 juli 2007 een aanvraagformulier voor verlenging van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning toegezonden. Gelet op voornoemde gang van zaken en gelet op de omstandigheid dat eiseres als gevolg van de omstandigheid dat zij in het bezit is van een verblijfsdocument thans voorzieningen krijgt, heeft eiseres uit het handelen van verweerder in redelijkheid kunnen concluderen dat aan haar rechtmatig verblijf was toegestaan. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen