Rb. 's-Gravenhage 13 september 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BC2383

Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/formeel belastingrecht. Eiser heeft aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan over het onderhavige jaar. In zijn aangifte heeft hij een bedrag van € 22.445 ingevuld als ingehouden en afgedragen loonbelasting. Dit is het bedrag dat in het onderhavige jaar daadwerkelijk door zijn werkgever is ingehouden en afgedragen aan de Belastingdienst. Bij het overnemen van de bedragen uit de aangifte heeft een medewerker van de Belastingdienst als gevolg van een typefout € 24.455 als loonheffing ingevuld. Vervolgens is de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Nadat was gebleken dat er bij de definitieve aanslagregeling een onjuist bedrag aan loonbelasting was verrekend, heeft verweerder een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de navorderingsaanslag) aan eiser opgelegd. In geschil is of de navorderingsaanslag terecht aan eiser is opgelegd. Rechtbank 's-Gravenhage overweegt dat het tweede lid van artikel 16 van de AWR blijkens de geschiedenis van zijn totstandkoming de strekking heeft om een vergissing, die bij de toepassing van artikel 15 van die wet ten nadele van de fiscus is begaan, bij wege van navordering te herstellen zonder dat daarvoor ,,enig feit'', als in het eerste lid van artikel 16 bedoeld, wordt vereist (Hoge Raad 22 juni 1977, nr. 18.395, BNB 1977/284). De rechtbank oordeelt dat, anders dan eiser betoogt, aan het arrest van de Hoge Raad van 9 juni 2006, nr. 41.648, BNB 2006/317 waarin de toepassing van artikel 16, eerste lid, van de AWR aan de orde was, reeds daarom in de onderhavige situatie niet de door hem gewenste betekenis kan worden gehecht. Voorts oordeelt de rechtbank dat nu de consequenties van de bij de aanslagregeling gemaakte fouten uitputtend zijn geregeld in artikel 16 van de AWR hier voor toepassing van het zorgvuldigheidsbeginsel geen plaats is. Dit is niet anders indien juist zou zijn de stelling van eiser dat de gemaakte fout voortkomt uit een bewust gekozen systeem van verwerking waarbij het risico van fouten bewust wordt aanvaard (Hoge Raad 13 juli 1994, nr. 29.762, BNB 1994/278). Tenslotte oordeelt de rechtbank dat de heffingsrente terecht in rekening is gebracht. Na de wijziging van Hoofdstuk VA van de AWR bij de Wet van 13 december 1996, Staatsblad 655, in werking getreden op 1 juli 1997, heeft het arrest van de Hoge Raad van 1 november 1995, nr. 30.720, BNB 1996/84 geen gelding meer. Het beroep is ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen