Rb. 's-Gravenhage 22 maart 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BC2370

Verzet tegen de hoogte van door de griffier van de rechtbank in rekening gebrachte griffierechten. Uitgangspunt bij de beoordeling van het verzet dient te zijn dat de thans geldende regeling in de WTBZ erop is gericht dit recht, wat de hoogte betreft, te relateren aan het financiële belang van de zaak. Daarmee komt het in zaken die worden ingeleid met een dagvaarding aan op hetgeen wordt gevorderd. Uitgangspunt van de WTBZ is dat het griffierecht wordt vastgesteld zodra van eis wordt gediend, en niet pas wanneer daarover is beslist. Met dat uitgangspunt is niet te rijmen dat voor de hoogte van het griffierecht enkel de primair ingestelde vordering bepalend zou zijn. Immers is op voorhand niet te zeggen of de rechter in voorkomend geval al dan niet aan de beoordeling van een subsidiaire vordering toekomt. In de onderhavige zaak strekt de subsidiaire vordering onder meer tot betaling van een bedrag van € 147.983,83. Hiermee is het financiële belang van deze zaak gegeven.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen