Rb. 's-Gravenhage 26 november 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BC1933

Rvb / bevoegdheid / gedektverklaring kan gebrek niet herstellen / voornemenprocedure niet gevolgd / zorgvuldige voorbereidng / instandlating rechtsgevolgen Het bestreden besluit is genomen namens het bestuur van het COA, namens deze, de algemeen directeur, namens deze door het Teamhoofd Uitvoeringsorganisatie Rvb. De rechtbank gaat ervan uit, gelet op de ondertekening van het besluit, dat bij ondermandaatregeling door de algemeen directeur van het COA aan J.H.M. Schepers in zijn hoedanigheid van Teamhoofd Uitvoeringsorganisatie Rvb ondermandaat is verleend om besluiten als de onderhavige te nemen en te ondertekenen. De rechtbank stelt echter vast dat het door eiser overgelegde besluit is ondertekend door een ambtenaar werkzaam onder het Teamhoofd Uitvoeringsorganisatie Rvb. Bij brief van 7 september 2007 heeft eerdergenoemd Teamhoofd Schepers het besluit van 21 februari 2007 gedekt verklaard, ofwel bekrachtigd. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 9 oktober 2007 de rechtbank desverzocht bericht dat een gedektverklaring het (mandaat-)gebrek in het bestreden besluit niet kan herstellen en dat derhalve het beroep gegrond dient te worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel zodat het besluit voor vernietiging in aanmerking komt, zulks onder gegrondverklaring van het beroep. De rechtbank stelt vervolgens vast dat ingevolge artikel 3a, eerste lid, van de wet COA de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 van toepassing zijn op besluiten in het kader van het onthouden dan wel de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens de Vw 2000. Ingevolge artikel 39, eerste lid van de Vw 2000, neergelegd in afdeling 4 van hoofdstuk 7, dient verweerder indien deze voornemens is de aanvraag af te wijzen de vreemdeling hiervan, onder opgave van redenen, schriftelijk mededeling te doen. De rechtbank stelt vast dat verweerder genoemde voornemenprocedure niet heeft gevolgd. Gemachtigde van verweerder heeft ter zitting ook erkend dat in deze zaak ten onrechte niet de voornemenprocedure is gevolgd. Gelet op het vorenstaande moet het oordeel luiden dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet zorgvuldig is voorbereid. Gelet hierop dient het onderhavige beroep ook om deze reden gegrond te worden verklaard. De rechtbank ziet evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Daartoe is het volgende redengevend. Bepalend voor de aanspraak op toekenning van een financiële toelage ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb is een schriftelijke verklaring van de IND waaruit blijkt dat sprake is van rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder f, g, of h, van de Vw 2000. Nu uit de verklaring van de IND van 20 februari 2007 niet volgt dat eiser rechtmatig verblijf had als hiervoor bedoeld was verweerder naar het oordeel van de rechtbank gehouden de aanvraag af te wijzen. Derhalve heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking kwam voor de gevraagde toelage.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen