Rb. 's-Gravenhage 10 december 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BC0761
Verzoek opheffing opgelegde dwangsom / toewijzing verzoek De Staatssecretaris van Justitie (verzoeker) heeft bij de rechtbank een vordering ingesteld om opheffing van de bij uitspraak van 27 oktober 2005 van deze rechtbank en zittingsplaats opgelegde dwangsom. In deze uitspraak is bepaald dat verzoeker binnen vier weken na de datum van verzending van de uitspraak een besluit op het door de vreemdeling (verweerder) gemaakte bezwaar dient te nemen. Voorts is bepaald dat de Staat der Nederlanden aan verweerder een dwangsom verbeurt van € 250,-- voor elke dag dat de hiervoor bepaalde termijn wordt overschreden, tot en met de dag van bekendmaking van het besluit. Het besluit waarmee dit alles is begonnen - de intrekking van verweerders verblijfsvergunning - was een ambtshalve genomen, belastend besluit. Na vernietiging van dit besluit door de rechtbank was de intrekking van tafel en lag er geen aanvraag of bezwaar meer voor waarop verzoeker diende te beslissen. Desondanks heeft verweerder met succes beroepen ingesteld tegen het niet tijdig (opnieuw) beslissen door verzoeker, waaruit de voorliggende dwangsom is voortgevloeid. Daarbij heeft verzoeker op zijn beurt de openstaande rechtsmiddelen onbenut gelaten. Vervolgens heeft verzoeker op 1 december 2005 een besluit genomen, dat evenwel bij uitspraak van 22 januari 2007 door deze rechtbank en zittingsplaats is vernietigd. Met verzoeker is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een blijvende onmogelijkheid voor verzoeker om aan de hoofdveroordeling, gedaan in de uitspraak van 27 oktober 2005, te voldoen. Er lag immers een aanvraag noch een bezwaar voor waarop beslist kon worden. Hetgeen door verweerder is aangevoerd, kan hieraan niet af doen. Ook verweerders subsidiaire standpunt, betreffende de datum waarop de dwangsom met terugwerkende kracht zou kunnen worden opgeheven, kan niet worden gevolgd. Er bestaat geen rechtsgrond om de dwangsom niet eerder dan met ingang van het moment waarop de vordering om opheffing ervan is ingediend, op te heffen. Nu, zoals in de uitspraak van 22 januari 2007 is geoordeeld, met het besluit van 1 december 2005 geen uitvoering is gegeven aan de uitspraak van 27 oktober 2005 en ook overigens de relevantie van dat besluit niet is in te zien voor de onderhavige procedure, wordt aan deze door verweerder genoemde datum evenmin betekenis toegekend. Voorts is gesteld noch gebleken dat de uitspraak van 27 oktober 2005 aan verzoeker is betekend en daarmee evenmin dat enige daaruit voortvloeiende dwangsom door de Staat der Nederlanden is verbeurd. De dwangsom dient dan ook geheel te worden opgeheven, nu de onmogelijkheid voor verzoeker, om aan de in de uitspraak van 27 oktober 2005 neergelegde opdracht van de rechtbank te voldoen, onmiddellijk is ingetreden. Toewijzing vordering.
De uitspraak op rechtspraak.nl