Rb. 's-Gravenhage 12 december 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BC0713
Ex nunc beoordeling asielaanvraag na eerdere vernietiging / artikel 44, tweede lid, van de Vw 2000 Eiser is etnisch Armeens en afkomstig uit Azerbeidzjan. Eerder besluit tot afwijzing van de asielaanvraag is vernietigd door de rechtbank. Daarbij is geoordeeld dat het ambtsbericht van augustus 2001 onvoldoende grondslag biedt voor de conclusie dat niet-geïntegreerde personen van Armeense afkomst bij terugkeer naar Azerbeidzjan niet meer te vrezen zouden hebben voor vervolging, alsmede dat eiser moet worden aangemerkt als een niet-geïntegreerde Armeniër. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat uit het ambtsbericht van 16 november 2005 blijkt dat in Azerbeidzjan geen sprake is van vervolging op etnische gronden. Aan de eerdere uitspraak dient volgens verweerder in zoverre te worden voorbij gegaan, dat de aanvraag in het na vernietiging opnieuw te nemen besluit wederom ex nunc, aan de hand van het dan geldende ambtsbericht, wordt beoordeeld. De rechtbank overweegt dat in het bestuursrecht weliswaar uitgangspunt is dat het bestuursorgaan ex nunc beslist aan de hand van de feiten en omstandigheden en de geldende wettelijke en beleidsregels zoals die gelden op het moment dat de beslissing wordt genomen. Daar staat echter tegenover dat het uitgangspunt van de Vw 2000 is dat een vergunning wordt verleend met ingang van de datum waarop aan alle voorwaarden voor verlening wordt voldaan, zij het niet eerder dan de datum van de aanvraag (artikel 44, tweede lid, van de Vw 2000). Dat is van belang nu het gedurende drie jaar beschikken over een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aanspraken levert op een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (artikel 34 van de Vw 2000, zoals dat luidde op het tijdstip van belang). Derhalve dient in het geval van eiser, gezien het tijdsverloop, tevens te worden beoordeeld of hem ten tijde van zijn aanvraag ten onrechte een vergunning is onthouden. Deze situatie doet zich in het onderhavige geval voor. In het onderhavige besluit heeft verweerder ondanks de expliciete opdracht hiertoe van de rechtbank wederom niet nader gemotiveerd waarom ten tijde van het door de rechtbank vernietigde besluit voor eiser terugkeer mogelijk was zonder gevaar voor vervolging vanwege zijn etnische afkomst. De rechtbank zal het er dan ook voor houden dat destijds voor eiser geen terugkeermogelijkheid naar Azerbeidzjan bestond, zodat kan worden vastgesteld dat verweerder eiser ten tijde van het eerste bestreden besluit ten onrechte een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft onthouden. Verweerder dient zich onder deze omstandigheden af te vragen of na verlening van een verblijfsvergunning asiel op de a-grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, zou zijn overgegaan tot intrekking van de verleende vergunning, voordat eiser in aanmerking zou zijn gekomen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Nu in het bestreden besluit is nagelaten het voorgaande bij de heroverweging te betrekken, is er sprake van een motiveringsgebrek. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl