Rb. 's-Gravenhage 8 november 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9819
Rvb / bevoegdheid / artikel 2, eerste lid, sub e, Rvb / rechtmatig verblijf / vovo-verzoek / IVRK De bestreden besluiten zijn genomen namens het bestuur van het COA, namens deze, de algemeen directeur, namens deze door het Teamhoofd Uitvoeringsorganisatie Rvb. De rechtbank gaat ervan uit, gelet op de ondertekening van de besluiten, dat bij ondermandaatregeling door de algemeen directeur van het COA aan [teamhoofd] in zijn hoedanigheid van Teamhoofd Uitvoeringsorganisatie Rvb ondermandaat is verleend om besluiten als de onderhavige te nemen en te ondertekenen. De rechtbank stelt echter vast dat de door eiseressen overgelegde besluiten zijn ondertekend door een ambtenaar werkzaam onder het Teamhoofd Uitvoeringsorganisatie Rvb. Zijdens verweerder is ter zitting bevestigd dat deze ambtenaar niet volgens de ondermandaatregeling bevoegd is besluiten te nemen en te ondertekenen. De door eiseressen overgelegde besluiten van 10 april 2007 zijn echter ondertekend door voornoemde ambtenaar in opdracht van eerdergenoemd Teamhoofd. Nu ingevolge artikel 3:41 van de Awb bekendmaking van besluiten geschiedt door toezending of uitreiking aan de aanvrager, moet het er voor worden gehouden dat de aan eiseressen toegezonden besluiten formele rechtskracht hebben. Gelet daarop dient ervan uit te worden gegaan dat deze besluiten tevens zijn ondertekend door een onbevoegde ambtenaar. In de procesdossiers van eiseressen bevindt zich een brief van 7 juni 2007 van eerdergenoemd Teamhoofd [teamhoofd] waarin hij aangeeft dat tijdens zijn afwezigheid de beschikking is ondertekend door een van zijn medewerkers en dat hij de beschikking voor “gedekt” verklaart, ofwel bekrachtigt. Tijdens de gevoegde behandeling ter zitting is zijdens verweerder aangegeven dat met de gedektverklaring is beoogd de besluiten van eiseressen te bekrachtigen. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet leiden tot het gewenste resultaat omdat volgens vaste jurisprudentie van de AbRS een dergelijk bevoegdheidsgebrek niet door bekrachtiging kan worden geheeld. Gelet daarop komen de besluiten van eiseressen voor vernietiging in aanmerking, zulks onder gegrondverklaring van de beroepen. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten, nu het Teamhoofd bij brief van 7 juni 2007 heeft aangegeven dat hij de (vernietigde) beschikkingen bekrachtigt en derhalve voor zijn rekening heeft genomen, terwijl er geen aanwijzingen zijn dat hij thans een besluit van een andere inhoud zou nemen. Daartoe is het volgende redengevend. Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb stelt expliciet als voorwaarde dat er blijkens een schriftelijke verklaring van de IND sprake moet zijn van rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder f, g, of h, van de Vw 2000. Nu uit de door verweerder overgelegde verklaringen van de IND blijkt dat eiseressen geen rechtmatig verblijf hebben als hiervoor bedoeld, komen zij niet in aanmerking voor een uitkering op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb. De omstandigheid dat eiseressen met toestemming van de Nederlandse autoriteiten de behandeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening feitelijk in Nederland mogen afwachten noch de omstandigheid dat de rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, nog geen uitspraak heeft gedaan op het beroep, maakt dat eiseressen behoren tot een andere categorie vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb. In dat verband merkt rechtbank nog op dat het op de weg van eiseressen ligt bij de rechtbank om bespoediging van de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening te vragen. Anders dan door eiseressen ter zitting is betoogd ligt het niet op de weg van verweerder om bedoeld verzoek tot bespoediging te doen, reeds omdat verweerder geen partij is in die procedure.
De uitspraak op rechtspraak.nl