Rb. 's-Gravenhage 23 november 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9749
Vreemdelingenbewaring / binnentreden Bij het binnentreden van de woning is niet kenbaar gemaakt dat het doel was gelegen in de controle van het verblijfsrecht, maar is aangegeven dat het om een GBA-adrescontrole ging. Slechts voor dit laatste heeft de bewoner toestemming gegeven om reden waarvan de machtiging ingevolge de Algemene wet op het binnentreden (Awbi) achterwege is gelaten. Vervolgens is eiser staande gehouden en is hij geboeid meegenomen naar het politiebureau, alwaar hij is opgehouden. Eiser voert in de gronden aan dat de staandehouding onrechtmatig is geweest nu bij het binnentreden een onjuist doel is genoemd. Voorts is volgens eiser in strijd gehandeld met de Ambtsinstructie nu eiser tijdens de staandehouding handboeien zijn aangelegd. De bewaring is volgens eiser dan ook onrechtmatig. De rechtbank overweegt op basis van de overgelegde stukken dat het daadwerkelijke doel van de controle inderdaad niet tevoren is medegedeeld, zodat niet is voldaan aan de vereisten van de Awbi. Dit leidt evenwel niet zonder meer tot de conclusie dat de daarop volgende bewaring onrechtmatig moet worden geacht. In het onderhavige geval oordeelt de rechtbank dat de bewaring, voor wat betreft het binnentreden en de daarop volgende staandehouding, mede gelet op de uit artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) voortvloeiende belangenafweging, gerechtvaardigd nu eiser zich willens en wetens heeft bediend van een alias tijdens de staandehouding. Omtrent het aanleggen van handboeien verwijst de rechtbank naar de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtsnaar (hierna: de Ambtsinstructie), die ingevolge artikel 47 van de Vw 2000 mede van toepassing is op de uitoefening van de in de Vw 2000 neergelegde bevoegdheden. In de onderhavige situatie was sprake van het aanleggen van handboeien tijdens de staandehouding. Gelet op het bepaalde in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 en inachtgenomen hetgeen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hierover in haar uitspraak van 28 november 2001 (JV 2002, 46) heeft bepaald, moet worden geconstateerd dat in strijd is gehandeld met de Ambtsinstructie. Daarbij zij nog vermeld dat van (een deugdelijke onderbouwing van) vluchtgevaar niet is gebleken. Ook het strijdig handelen met de Ambtsinstructie leidt niet zonder meer tot de conclusie dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd. Gelet op artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 is het opleggen van de maatregel alleen dan onrechtmatig indien de met de inbewaringstelling gemoeide belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. In de onderhavige situatie is hiervan sprake, mede ook nu verweerder geen met de bewaring gemoeide belangen heeft gesteld die het opleggen van de maatregel, ondanks het niet naleven van de Ambtsinstructie, kunnen rechtvaardigen. Dit alles leidt de rechtbank tot het oordeel dat de bewaring van meet af voor onrechtmatig dient te worden gehouden. Het beroep wordt dan ook gegrond verklaard en de onmiddellijke opheffing van de bewaring wordt bevolen.
De uitspraak op rechtspraak.nl