Rb. 's-Gravenhage 5 december 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9724
Aanvraag toetsing EU gemeenschapsrecht / Richtlijn 2004/38/EG / derdelander / verblijfsrecht / bestaansmiddelen Aanvraag om toetsing aan het EU gemeenschapsrecht. Verzoeker heeft de Iraanse nationaliteit en is vader van een in Denemarken geboren dochter van Letse nationaliteit. Verweerder heeft vooralsnog verzoeker mogen weigeren om de sticker “Verblijfsaantekeningen Gemeenschapsonderdanen” uit te reiken met de aantekening dat arbeid vrij is toegestaan en daarvoor geen tewerkstellingsvergunning is vereist. Verzoeker kan niet worden aangemerkt als gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 1, aanhef en onder e, onder 2°, van de Vreemdelingenwet 2000. Niet is gebleken dat verzoeker uit hoofde van een ter toepassing van het EG-Verdrag genomen besluit gerechtigd is om in een lidstaat te verblijven. Richtlijn 2004/38/EG is niet op hem van toepassing, nu verzoeker niet ten laste is van zijn dochter. Dit brengt met zich dat verzoeker niet het recht toekomt neergelegd in artikel 23 van de Richtlijn 2004/38/EG om een activiteit als werknemer of zelfstandige uit te oefenen. Gelet op artikel 8.7, tweede lid, aanhef en onder d, van het Vreemdelingenbesluit 2000 komt verzoeker op grond van dat besluit in zoverre evenmin een verblijfsrecht toe. Aan het arrest Chen (HvJ EG, 19 oktober 2004, C-200/02) kan verzoeker evenmin een verblijfsrecht ontlenen. Nu de familie verzoeker en zijn dochter financieel ondersteunt, is geen sprake van eenzelfde situatie als in dat arrest waarbij de bestaansmiddelen van de desbetreffende ouder zelf toereikend zijn. Verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl