Rb. 's-Gravenhage 7 december 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9718
Het gaat in dit kort geding om de vraag of de Staat verplicht moet worden de betrokken minderjarige in kwestie onmiddellijk, althans op korte termijn, te plaatsen in de aangewezen behandelinstelling. Bij de beoordeling is allereerst van belang dat, hoe ongewenst het ook moge zijn dat jeugdigen als gevolg van de beperkte capaciteit in de justitiële jeugdinrichtingen aanzienlijke tijd op behandeling moeten wachten, op de Staat geen wettelijke plicht rust om de betrokkene in kwestie binnen een bepaalde termijn in een behandelinstelling te plaatsen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Staat niet onrechtmatig handelt door niet tot onmiddellijke plaatsing over te gaan. Voor zover hierop al rechtstreeks een beroep zou kunnen worden gedaan is naar voorlopig oordeel evenmin sprake van schending van artikel 3 van het IVRK. Vordering afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl