Rb. 's-Gravenhage 9 juli 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9343

Ingangsdatum verblijfsvergunning Eiseres heeft een aanvraag gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning bij haar partner. Eiseres was al eerder in het bezit geweest van een verblijfsvergunning, maar had niet tijdig om verlenging gevraagd, waardoor haar werd tegengeworpen dat zij niet in het bezit was van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Na beëindiging van de eerdere procedure heeft eiseres op 9 juni 2006 een nieuwe aanvraag gedaan. Deze aanvraag is ingewilligd en aan eiseres is een verblijfsvergunning verstrekt met ingangsdatum 15 december 2006. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat dit 19 november 2006 moet zijn. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning, nu zij wil dat de vergunning wordt verleend met ingangsdatum 9 juni 2006. De rechtbank heeft overwogen dat uit artikel 26, eerste lid Vreemdelingenwet 2000 blijkt dat de aanvraag wordt verleend met ingang van de datum dat de vreemdeling heeft aangetoond dat aan alle voorwaarden voor het verlenen van de verblijfsvergunning is voldaan. De rechtbank overweegt dat het de verantwoordelijkheid van eiseres is om bij haar aanvraag alle noodzakelijke bescheiden die noodzakelijk zijn voor de aanvraag te overleggen. Eiseres heeft niet de op het aanvraagformulier vermelde bewijsstukken meegezonden bij haar aanvraag. Verweerder heeft eiseres in de gelegenheid gesteld de ontbrekende stukken toe te zenden, wat zij op 19 november 2006 heeft gedaan. Derhalve had verweerder de verblijfsvergunning met ingang van die datum moeten verlenen, maar niet met ingang van datum aanvraag. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen