Rb. 's-Gravenhage 5 november 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB7841
Ongewenstverklaring / besluit 1/80 / rechtmatig verblijf in Duitsland / rechtspositie in Nederland De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eiseres, als dochter van een Turkse werknemer, binnen de werkingssfeer van Besluit 1/80 valt in verband met eventuele toetsing aan het (communautaire) openbare ordebegrip. De rechtbank gaat ervan uit dat eiseres in Duitsland (lidstaat van ontvangst) rechtmatig verblijf heeft genoten op grond van artikel 7. Het is niet aan de Nederlandse autoriteiten om te bepalen of deze (verblijfs)rechten nog in stand zijn gebleven. Zelfs in zodanig geval wordt eiseres niet gevolgd in haar stelling dat deze rechten van invloed zijn op haar rechtspositie in Nederland. Uit geen van de bepalingen van Besluit 1/80 blijkt immers dat de hieraan ontleende rechten verder reiken dan het grondgebied van de betreffende lidstaat. In dit verband acht de rechtbank onder meer van belang een arrest van het Hof van 18 juli 2007, zaak C-325/05 (Derin). Van ongeoorloofde discriminatie is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Voorts kan eiseres geen geslaagd beroep doen op Richtlijn 2003/109/EG betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen. Geen schending van artikel 8 van het EVRM. Van eiseres mocht meer onderbouwing worden verwacht over de uitoefening van het gezinsleven met haar echtgenoot en zijn medische situatie. Mede gelet op de ernst van de gepleegde misdrijven belangenafweging niet onjuist. Weliswaar tweede generatie maar gezien de omstandigheden kan niet worden aangenomen dat zij in het geheel geen banden meer heeft met de Turkse samenleving. Ten aanzien van het familieleven met haar in Duitsland woonachtige dochter, behoefde verweerder geen positieve verplichting aan te nemen.
De uitspraak op rechtspraak.nl