Rb. 's-Gravenhage 17 augustus 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB7684

PTSS / artikel 3 EVRM Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres een PTSS heeft. De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat bij uitblijven van de benodigde behandeling van eiseres in het land van terugkeer, een crisis kan ontstaan die onder het bereik van artikel 3 EVRM kan vallen. Evenwel zijn voor een geslaagd beroep op dit artikel ook andere factoren van belang, zoals het gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang. De rechtbank stelt in dit verband in de eerste plaats vast – en tussen partijen lijkt ook niet in geschil – dat eiseres in Kosovo behandeld kan worden en dat aldaar medicatie en behandelend artsen aanwezig zijn. Ook bestaat de mogelijkheid van gedwongen opname in een instelling om suïcide te voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende concrete aanknopingspunten zijn aangedragen om te twijfelen aan de passage in het advies van het BMA waarin staat vermeld dat de in Kosovo beschikbare medicatie equivalent is aan de in Nederland aan eiseres verstrekte medicatie. De rechtbank overweegt voorts dat het feit dat de behandeling in Kosovo mogelijk minder adequaat is dan in Nederland in het licht van artikel 3 EVRM niet van doorslaggevende betekenis is. Waar partijen duidelijk verdeeld over zijn is het antwoord op de vraag of de behandeling in Kosovo effectief zal zijn. In zijn brief van 8 november 2006 heeft de door eiseres ingeschakelde onafhankelijke psychiater gesteld dat een impulssuïcide denkbaar is vanwege de reële angst van eiseres voor eerwraak en dat behandeling in het land van herkomst daarom geen effectieve remedie is. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze angst een asielmotief betreft dat thans niet ter beoordeling voorligt. Derhalve ligt evenmin de vraag voor of de medische behandeling in Kosovo van die angst effectief is. Voor zover aangenomen zou moeten worden dat dit anders moet worden gezien, zijn er onvoldoende aanknopingspunten aangedragen om aan te nemen dat behandeling in dat geval niet effectief is, nu gesteld noch gebleken is dat eiseres zich aan medische behandeling in Kosovo zal ontrekken. Voorts is niet gesteld of gebleken dat eiseres binnen de behandelingssetting zoals die in Kosovo aanwezig is geen sociale structuur zal kunnen opbouwen zoals zij die tijdens haar behandeling in Nederland heeft opgebouwd, zodat niet kan worden gezegd dat in het land van herkomst sociale opvang ontbreekt. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen